Voor een peer moet je hier omlopen

In New York zijn verse groente en fruit schaars. De gemeente zet verrijdbare kraampjes in om de gezondheid in arme wijken te verbeteren.

Ook in Chinatown, Manhattan zijn groente- en fruitwinkels te vinden. Buiten het centrum van New York is verse groente en fruit veel moeilijker te vinden. (Foto Merlin Daleman) U.S.A. New York City, 17-03-07 Een fruit en groenten winkeltje in China town. © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

Op de hoek tegenover een New Yorks filiaal van ’s werelds bekendste fastfoodketen staan twee jongetjes van een jaar of twaalf. „Meneer, heeft u een dollar voor de McDonald’s?” Raymond en Michael brengen na school het grootste deel van hun tijd door op straat. Hun doel: geld inzamelen voor een hamburger. Want dat is lekker en goedkoop, legt Raymond uit.

Mochten de jongens een appel willen kopen in plaats van een hamburger, dan zouden ze minstens drie stratenblokken verderop moeten zijn. Voordat ze de eerste groenteboer hadden bereikt, zouden ze al langs een dozijn fastfoodrestaurants of deli’s, kleine buurtwinkels met hoofdzakelijk frisdranken en voorverpakte etenswaar, zijn gekomen.

En dat terwijl deze jongens nog op de hoofdstraat staan van hun wijk: Bedford-Stuyvesant – een achterstandswijk in Brooklyn waar bijna de helft van de bevolking onder de armoedegrens leeft. Die grens ligt hier voor een huishouden van vier personen op een inkomen van 20.000 dollar (12.700 euro) per jaar.

Omdat in de rest van de wijk al helemaal nauwelijks vers fruit of groente te vinden is, grijpt de gemeente nu in. De ambulante handel wordt ingezet om een einde te maken aan de groente- en fruitschaarste in de New Yorkse achterbuurten. De zogenoemde foodcarts – voedselkarretjes – zijn een bekend fenomeen in de stad die bekend staat om de zorg van de overheid voor de gezondheid van zijn inwoners. Ze verkopen vooral kebab, hotdogs, gesuikerde pinda’s en frisdranken. Van de 4.000 karretjes in de stad verkoopt nog geen tiende groente en fruit.

Bovendien staan die op de verkeerde locaties om New Yorks armsten toegang te geven tot vers groen. De zogenoemde greencarts staan namelijk vooral tussen de wolkenkrabbers van Manhattan. Hun klanten dragen meestal een pak, werken op kantoor en kopen een stuk fruit omdat ze het zich kunnen veroorloven. Ter illustratie: toen de stad onderzoek deed naar de beschikbaarheid van gezond eten, bleek dat een op de vier volwassenen in wijken zoals Bedford-Stuyvesant in de 24 uur voor de enquête geen groente of fruit had gegeten.

Door nu duizend groentekarren in probleemwijken te plaatsen doet de gemeente een verrassende zet: zij zet het bedrijfsleven in om de gezondheid van de burgers te verbeteren. De verkopers mogen enkel onverwerkte, niet-ingevroren, rauwe groenten (denk aan wortels) en fruit verkopen. De nieuwe vergunningen beperken de bewegingsvrijheid van de stalhouders tot een bepaalde probleemwijk, legt Cathy Nonas uit. Het hoofd van de gemeentelijke fysieke gezondheids- en voedingsprojecten hoopt dat zo de onderlinge concurrentie toeneemt en de prijzen zdalen.

Aan de afnemende beschikbaarheid van groente en fruit liggen vrij basale economische processen ten grondslag, legt Nicholas Freudenberg, hoogleraar volksgezondheid aan de City University of New York, uit. „Doordat de criminaliteit in dit soort buurten de afgelopen jaren succesvol teruggedrongen is, verhuizen steeds meer welgestelde New Yorkers daarheen. De huren gaan daardoor in rap tempo omhoog, ook voor winkels. Zo wordt het steeds moeilijker voor supermarkten om winstgevend of zelfs open te blijven.” Het is ironisch: de groeiende koopkracht van de nieuwe buurtbewoners maakt het dus voor de arme gezinnen moeilijker om aan verse groente en fruit te komen.

Rond 1 juli worden de eerste 500 vergunningen verstrekt. In 2009 worden de volgende 500 uitgegeven. „Ik heb twee jaar op een vergunning moeten wachten”, vertelt Azmal Hossain. Hij staat al vijf jaar, zes dagen per week van zes uur ’s ochtends tot zes uur ’s avonds, met een fruitstalletje in hartje Manhattan. Op een goede dag zegt hij meer dan 400 dollar om te zetten.

Maar hij zou nooit in een achterstandswijk als Bedford-Stuyvesant willen staan. „Op groente en fruit maak je hooguit 25 procent winst, je moet er dus veel van verkopen op een dag om het rendabel te houden”, vindt Hossain. Bovendien moet hij elke dag alles wat hij niet verkoopt, weggooien. Hij vreest dat de aanloop in achterstandsbuurten te klein is om verse producten tegen een lage prijs te verkopen.

Of de nieuwe karren groente en fruit ook beter betaalbaar zullen maken in deze buurten is dus maar de vraag. Bestaande winkels bieden zelf ook al weinig gezond voedsel aan. Hoogleraar Freudenberg: „In armere wijken zie je traditioneel meer kleine winkeltjes. Die hebben weinig koelcapaciteiten en een te kleine omzetsnelheid om verse producten te verkopen.” En inderdaad: „Vroeger verkochten we wel bananen”, vertelt een caissière van AC Grocery in Bedford-Stuyvesant, die haar naam niet mag geven. „Maar vanwege de hoge brandstofprijzen zouden we ze voor 99 dollarcent per pond moeten aanbieden.” Een Amerikaanse pond is ongeveer 450 gram, het gewicht van twee bananen. Voor datzelfde geld kunnen Raymond en Michael ook een lauwe, maar volgens hen overheerlijke cheeseburger bij hun favoriete restaurant kopen.