Verdwijnt na het joodse leven nu ook de joodse dood?

Door de Holocaust zijn er te weinig nabestaanden om de joodse begraafplaatsen in Nederland te onderhouden.

De vraag is of deze erfenis geen nationale erfenis is.

Een erfenis kan schitterend zijn. Het is prachtig als ouders hun kinderen iets kunnen nalaten. Geld, een huis, een sieraad als aandenken. Maar soms is een erfenis een blok aan het been.

Het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK), de organisatie van joodse gemeenten, heeft circa 250 joodse begraafplaatsen als erfenis gekregen. En ze liggen er vervallen bij. Op sommige begraafplaatsen zorgt de gemeentelijke afdeling groenbeheer voor het jaarlijks maaien van het gras, soms wordt een op instorten staande muur rond de begraafplaats weer gevoegd of gestut, en sporen van vandalisme worden snel en vakkundig verwijderd. Meer dan dat kan een gemeente vaak niet doen. Het baarhuisje of het beheerderswoninkje begeeft het, te veel zerken zijn onherstelbaar beschadigd, de teksten zijn nauwelijks te ontcijferen, het hek en de muur zijn aan vervanging toe.

Waarom zijn de joodse begraafplaatsen in zo een slechte staat? Omdat er te weinig nabestaanden zijn om de graven te onderhouden. Daar werd ik vorige week donderdag weer pijnlijk aan herinnerd. Met een delegatie van het ministerie van VWS ging ik naar het voormalige concentratiekamp Theresienstadt in Tsjechië om daar op een kampterrein aanwezig te zijn waar een plaquette werd onthuld ter nagedachtenis aan de joodse Nederlanders die daar, ver weg van hun vaderland, werden vermoord.

De plaquette werd onthuld – een grafzerk zonder graf – en ik mocht kadiesj zeggen, het gebed dat kinderen uitspreken voor hun overleden ouders. Mijn ouders hebben de oorlog godzijdank overleefd, en broertjes en zusjes van mij zijn daar niet omgekomen. Toch voelde ik diepe verwantschap. Ik voelde de heilige plicht even hun kind en broertje te zijn en mijn tranen de vrije loop te laten, terwijl ik het gebed der doden voordroeg. Op de plaquette lazen we dat „ongeveer 5000 joden vanaf 1943 vanuit Nederland naar Theresienstadt zijn gedeporteerd (...) Een deel werd gedeporteerd naar een vernietigingskamp. Een deel van hen stierf hier (...) in Theresienstadt.”

Ik vroeg me even af of ik het goed las: ongeveer 5000 joden. Hoe veelbetekenend was dat woord ‘ongeveer’, en hoe gruwelijk? Het kon één meer zijn of één minder, of misschien duidde ‘ongeveer’ op tien of twintig. Wie kent ze nog? De meesten van hen werden tegelijk met hun nazaten uitgeroeid in het gruwelijke Paradeisghetto, zoals Theresienstadt wel werd genoemd, of elders waarheen ze waren gedeporteerd, ver van de Nederlandse bodem, ver van hun geboorteland, ver weg ook van de begraafplaats waar ze zo graag hadden willen rusten na een natuurlijk en humaan sterven.

Maar die begraafplaatsen in Nederland zijn nu, anno 2008, verlaten en vervallen. Als een dominee of een pastoor op een begraafplaats komt en die is leeg, dan is hij blij. Ik huil. Al die lege graven, ooit gereserveerd toen manlief of vrouwlief stierf en diens partner de naastgelegen plek liet vastleggen. Het graf zal voor eeuwig gereserveerd blijven, omdat de reservering nooit is geannuleerd. Vergast, verbrand, verdwenen in het duistere gat der vergetelheid.

Wie zorgt voor de graven van hun ouders en voorouders? De uitgeroeiden hadden graag met overgave en respect de graven van hun voorouders willen bezoeken, een gebed willen uitspreken, een steentje neerleggen ten teken dat ze niet vergeten zijn. Maar nu zijn er geen steentjes en geen bezoekers: alleen verzonken zerken met teksten die steeds onleesbaarder worden.

Nogmaals, de gemeenten waar de begraafplaatsen liggen, doen hun best. Er zijn christelijke vrienden van de werkgroep Boete en Verzoening die met veel warmte hun inzet plegen en jaarlijks op een aantal begraafplaatsen de handen uit de mouwen steken om klein onderhoud te plegen. De joodse gemeenten weten zich dus vaak lokaal gesteund. Maar de vraag is of het genoeg is. De vraag is ook of onze erfenis geen nationale erfenis is. Rust hier geen gezamenlijke Nederlandse verantwoordelijkheid?

Binyomin Jacobs is hoofdrabbijn van het Inter Provinciaal Opperrabbinaat.

Meer over joodse begraafplaatsen op nik.nl