Stukje

De stukjesschrijver maakt iets mee op zijn wandeling door de stad. Wanneer beseft hij nou dat daar ook een stukje inzit? Dat wordt mij vaak gevraagd. Het antwoord moet onbevredigend zijn: het verschilt per gebeurtenis. Soms weet je het meteen, soms twijfel je een poosje, soms besef je het pas dagen of weken later. Ik zal een recent voorbeeld geven.

Ik liep over Realeneiland, een van de drie nog altijd aangenaam rustige eilandjes ten westen van het centraal station van Amsterdam. Jan Mens heeft veel over dit eiland geschreven, al moet ik bekennen dat ik zijn boeken nooit gelezen heb. Plotseling hoorde ik een kat krijsen, rauw en radeloos. Ik keek om me heen, zag niets en wilde doorlopen toen ik weer die om aandacht smekende uithalen hoorde van een dier in kennelijke doodsnood.

Ik naderde een kaderand en keek omhoog naar de toppen van een groepje dichtbebladerde bomen. Daar zat hij (of zij), een cyperse kat, zoals ik er zelf ook een had. Hij bevond zich op een stevige tak, zo’n drie meter boven de grond. Ik probeerde hem te kalmeren, maar hij liet me niet uitpraten en eiste op onverminderd luide toon onmiddellijke actie van mij.

Wat te doen? Ik had geen mobieltje bij me en belde aan bij het huis aan de overkant. Geen reactie. Ook achter de ramen van andere huizen zag ik geen tekenen van leven. Het leek me een buurt met veel keihard werkende tweeverdieners, want hoe moesten ze anders die dure appartementen en huizen betalen?

Ik liep hulpeloos terug naar de kat in de boom, maar die snauwde me woedend weg: sufferd, lul, ga die buurt in, roep, schreeuw, maak amok, doe wat!

Ik belde weer ergens aan. Diep in het huis begon een hond te blaffen. Toen hoorde ik, goddank, vlugge voeten op een trap en de bovenste helft van de voordeur zwaaide open. Een vrouw van middelbare leeftijd keek me aan.

Hier moet ik de handeling even stopzetten.

Wat zou nu goed zijn voor mijn stukje? Het helpt altijd als er meteen iets onverwachts gebeurt, maar het hoeft niet. Het kan ook voldoende zijn als die mevrouw mij nogal onaangenaam te woord staat.

Ze kan zeggen: „Man, wat heb ik met dat beest te maken? Er zitten hier al veels te veel katten. Dat krijst en dat schijt maar in mijn tuin. De eigenaren zijn nooit thuis en wij zitten met de overlast. Wat zegt u? Dieren in nood? Schei toch uit met dat sentimentele gezeur. Je lijkt wel zo’n derderangs stukjesschrijver die niks anders weet te verzinnen dan kleffe verhaaltjes over zijn katten.”

Kijk, in zo’n geval was mijn stukje al zo goed als rond geweest. Maar, helaas, dat zei die vrouw helemaal niet. Het was een vriendelijke, behulpzame vrouw.

„Maakt u zich geen zorgen”, zei ze, „het is de kat van de buren. Hij zit nog maar tien minuten in die boom. Als de buren straks thuiskomen, zal ik ze meteen waarschuwen. Bovendien werkt mijn man bij de brandweer. Die heeft dit vaker bij de hand gehad. Ik verwacht hem zo thuis.”

Ik bedankte haar omstandig en liep weg – niet langs die boom, maar via een omweg, want ik weet zeker dat die kat mijn verhaal over de brandweerman niet zou hebben geloofd. Ik sloeg de hoek om en dacht met enige spijt: jammer, er zit geen stukje in.