Onmisbaar olympisch Chinees

Kees ’t Hart en zijn zoon Jan schreven de satirische taalgids Onmisbaar Chinees voor sporters, supporters en bobo’s. Met zinnen als ‘Waar kan ik hier de mensenrechten aankaarten?’ en ‘Tot ziens in Tibet’.

Het is zeker geen gewoon Nederlands-Chinees taalgidsje dat afgelopen week is verschenen. Want behalve frasen als ‘Hoe kom ik bij het Plein van de Hemelse Vrede?’ staan er ook zinnetjes in als ‘Valt hier nog wat te neuken!’ (Zhèr zhentamade méyìsi), ‘Ik ben Foppe de Haan’ (Woshì zúqiú jiàoliàn Hán fangbo) en ‘Tot ziens in Tibet’ (Zài Xizàng jiàn)

„Het is een satirisch boekje. Maar ook bruikbaar”, zegt Kees ’t Hart (1944), die het samen met zijn zoon Jan (1973) schreef. „Twee jaar geleden ben ik een cursus Chinees gaan doen”, vertelt ’t Hart. „Niet dat ik naar China wil of zo, maar zo’n heel andere taal, zo volledig anders, dat is een sprong in het duister, dat trok me altijd al.”

Toen hij in Leeuwarden woonde, waar hij docent Nederlands en studiebegeleider aan de Open Universiteit was, kwam het er niet van. Maar sinds hij een paar jaar geleden naar Den Haag verhuisde en fulltime schrijver is, had hij er wel tijd voor. „Ik heb Chinese conversatieles van een Chinese, Lingmei Ma, die taalles als hobby er bij doet. Ze is financieel expert en werkt bij een bedrijf dat ook zaken doet in China. Ik heb haar gevraagd ons boekje te vertalen.”

’t Hart, schrijver van bekroonde literaire romans zoals De revue, essay- en dichtbundels en een geschreven documentaire over een jaar lang optrekken met voetbalclub Heerenveen, heeft al eens eerder willen bijdragen aan de verbroedering die sport teweeg hoort te brengen, door de taaldrempel te slechten.

Hij publiceerde in 1986 in de aanloop naar de Elfstedentocht met een collega een klein boekje getiteld Fries voor Elfstedenrijders met als ondertitel Heeft u hier ook schaatsers voorbij zien komen?

Daarin teksten als: Wilt u langzaam spreken? Ik kom uit Holland (Wolle jo stadich prate? Ik kom ut Hollân.); Kijk uit, u staat op mijn schaats (Sjoch ut, jo steane op myn reed.) en: Nee, deze muts heeft mijn moeder gebreid. (Nee, dizze mûtse hat ús mem breide).

In een mum van tijd beleefde het boekje, zo’n twintig pagina’s, herdruk op herdruk. Er werden zeker 40.000 exemplaren van verkocht. Het succes zorgde er voor dat ’t Hart verzoeken kreeg soortgelijke boekjes te maken met bijvoorbeeld Engels voor Wimbledonfans en Frans voor Tour de France-liefhebbers. Maar daar zag hij niets in. Te makkelijk. Niet absurd genoeg.

Maar dat werd anders nu de sportverdwazing rond de Olympische Spelen in China aanzwelt. Zoon Jan ’t Hart: „We zaten samen te eten en Kees begon met veel plezier allerlei smoezen te verzinnen die olympische sporters zouden kunnen gebruiken als ze verloren hadden. En dat die in het Chinees vertaald konden worden. Het was leuk, maar ik vond dat hij het moest uitbreiden, niet alleen smoezen. En toen zijn we samen aan de slag gegaan.”

Zo hebben ze samen, veel heen en weer e-mailend (Jan werkt bij de KPN in Groningen), een grote hoeveelheid zinnen voor olympische sporters, bobo’s en supporters verzonnen. Jan: „En we zijn een weekeinde samen gaan zitten en hebben toen een keuze gemaakt. We hebben erg gelachen, en onder dwang van mijn vriendin en mijn moeder hebben Kees en ik de meest seksistische grappen er uit gehaald. Ze hadden gelijk.” Met die selectie is Kees ’t Hart naar zijn docente Chinees gegaan. „Daar heb ik ook nog discussie mee gehad. Ze vond het leuk, hoor, maar ja, ze wilde wel weten waarom ze zinnetjes als Busje komt zo, of Hebban olla uogala nestas higunnan hinasa ic anda thu moest vertalen. En ze vond dat een zinnetje als ‘Mao die kan zakkies plakken hihaho’ niet kon. Dat hebben we toen maar niet gedaan. Maar er staan wel grappen over Mao en het communisme in, hoor.”

Het boekje is mede een korte staalkaart van Nederlandse cultuur van hoog tot laag geworden, met vertalingen van zinnen als: „Daar zakt me de broek van af”, het Wilhelmus en dichtregels als „Domweg gelukkig in de Dapperstraat”. Het boekje is thematisch ingedeeld, met sport-Chinees, Chinees in de liefde (‘In Holland noemen we dat tongzoenen’), in het politiebureau (‘Veertien dagen dwangarbeid, het kon erger’), in het olympisch dorp en bij de Spelen (‘Moet ik Anton Geesink ook zoenen?’) en met de smoezen voor verliezers. Uitgeverij Querido leek het leuk om het boekje aan te bieden aan het Nederlands Olympisch Comité, maar dat reageerde negatief: het boekje mocht niet Olympisch Chinees gaan heten, zoals de bedoeling was, want zei men: de term olympisch is beschermd. Of was het omdat het hoofdstukje Chinees voor bobo’s te kritisch was met termen als ‘omkopen’ (Shoumai), ‘vorkje prikken’ (Chidianr dongxi) en ‘meisjes van lichte zeden’ (Jì nu)?

Jan en Kees ’t Hart, Onmisbaar Chinees voor sporters, supporters en bobo’s. (Querido, € 6,95). Chinese vertaling (Mandarijn) in Pinyin en Chinese karakters door Lingmei Ma.

    • Paul Steenhuis