Laat bedrijfsterrein niet aan gemeente over

Omdat gemeenten toch geneigd zijn om bedrijven te lokken, moet het beleid voor bedrijventerreinen hun ontnomen worden, meentJacques van Dinteren.

Tekening Patrick Corrigan Corrigan, Patrick

Door initiatieven van de milieubeweging en door de VROM-Raad zijn bedrijventerreinen sinds twee jaar een politiek issue geworden. Het onderwerp heeft inmiddels de belangstelling van de ministers van Economische Zaken en van VROM. Dat leidde er toe dat 2007 een topjaar is geweest voor beleidsadviezen.

Anders ligt dat als wordt gekeken naar de beleidsmatige vertaling daarvan naar gemeentelijk niveau. Daar is nog een slag te slaan. Er wordt op gemeentelijk niveau wel beleid gemaakt, maar om het ondernemers naar de zin te maken wordt hiermee in de praktijk soepel omgegaan, om de werkgelegenheid in de gemeente te garanderen en de buurgemeenten af te troeven.

Gemeenten willen dit onder meer bereiken door lage grondprijzen, soms zelfs onder de kostprijs. Lokale bestuurders denken namelijk dat voor ondernemers die prijs veel uitmaakt. In werkelijkheid echter maakt grond iets meer dan 1 procent uit van de totale bedrijfsinvesteringen. Maar een ondernemer zou geen ondernemer zijn, als hij toch niet probeert de laagste prijs te krijgen.

Als iets echter van weinig waarde is, dan is het risico aanwezig dat er niet zorgvuldig mee wordt omgegaan. Voor bedrijventerreinen geldt dat zeker. Er is letterlijk sprake van waardeloze bedrijventerreinen en de meeste zien er ook waardeloos uit. Dat is nogal vreemd in een land dat zijn planningstraditie zeer serieus neemt en in het buitenland daarvoor wordt geroemd.

Ik denk dat het allereerst van belang is dat lokale overheden bedrijventerreinen niet langer primair zien als alleen een middel om economische doelstellingen te realiseren. De lage grondprijzen zijn feitelijk een verkapte werkgelegenheidssubsidie en hebben weinig van doen met een goed functionerende grondmarkt.

Niet alleen hebben we te maken met lage grondprijzen, maar vaak ook met gebouwen die een geringe waarde hebben en die gemakkelijk zijn af te schrijven. Daarom zal de waarde van grond en gebouwen op een oud bedrijventerrein menig ondernemer er niet van weerhouden te verhuizen naar een volgende locatie. Een herinvestering in de bestaande locatie wordt thans niet snel overwogen. Vanuit het oogpunt van duurzaamheid is dit zeer ongewenst, tenzij de oude locatie technisch of qua ruimte echt niet meer kan voldoen.

Dit snel en gemakkelijk kiezen voor een nieuw bedrijventerrein kun je ondernemers wel verwijten, maar aan de basis van dit gedrag ligt overheidsbeleid. Prijsbeleid, zorgvuldige planning, relatieve schaarste (een zekere spanning in het aanbod) en regionale samenwerking worden te weinig ingezet.

Veranderingen in grondprijzen zijn overigens al wel aan de orde – tussen 2000 en 2007 is de prijs voor grond op bedrijventerreinen bijna verdubbeld. De economie heeft er door die prijsverhogingen in ieder geval niet minder om gedraaid.

Als we morgen de prijs voor grond op bedrijventerreinen met bijvoorbeeld een factor vijf vergroten, zal er niets veranderen aan het functioneren van onze economie. Maar de kans is dan wel groter dat ondernemers beter gaan nadenken over hun huidige locatie en oud tegen nieuw zorgvuldiger gaan afwegen dan tot op heden het geval is, ook al maakt de prijs maar een klein deel uit van de investeringen.

Omdat de huidige prijsstelling wordt veroorzaakt door de voortdurende concurrentie tussen gemeenten en omdat gemeenten regionale samenwerking en afstemming bij het bedrijventerreinenbeleid meer met de mond belijden dan het ook daadwerkelijk praktiseren, mag het beleid voor bedrijventerreinen niet meer alleen aan gemeenten worden overgelaten. Er moet op een hoger niveau een strakke regie gevoerd gaan worden.

In de afgelopen jaren hebben provincies en stadsregio’s daarin al steeds meer een rol vervuld, maar dat levert het beeld op van ‘veel wortel en weinig stok’. Het door laten werken van het beleid van provincies en stadsregio’s gebeurt momenteel vooral door de gemeenten vriendelijk te verzoeken mee te willen werken. Het staat zo letterlijk in beleidsteksten.

De stok, in de vorm van bijvoorbeeld een kritische toetsing van bestemmingsplannen of het afdwingen van afspraken over prijs-kwaliteitverhoudingen of regionale afstemming, wordt nauwelijks gebruikt.

De nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening, die op 1 juli aanstaande in werking treedt, biedt nieuwe mogelijkheden door het opstellen van verordeningen. De vraag blijft echter hoe ver de provincies daarin durven te gaan. De afgelopen jaren konden zij immers ook al over het instrument van de aanwijzing beschikken, maar hebben dit niet ingezet.

Als de provincies de mogelijkheden om regionale afstemming te bereiken niet benutten, kan ingrijpen door de rijksoverheid niet langer worden uitgesteld, alle decentralisatietendensen ten spijt. De problemen op het vlak van bedrijventerreinen hebben een dusdanige omvang aangenomen dat überhaupt de vraag kan worden gesteld hoe lang het rijk zich relatief afzijdig kan houden.

Het is in het verleden vaker gesuggereerd, maar wellicht is het nu onvermijdelijk dat het rijk een structuurvisie op bedrijventerreinen gaat opstellen. In lijn met de op te stellen rijksvisie zullen de provincies regionale structuurvisies op bedrijventerreinen op moeten gaan stellen, waarin de regionale afstemming in termen van grondprijzen, hoeveelheden en kwaliteiten bindend worden geregeld. De tijd is voorbij dat we het hoofdzakelijk aan alleen de gemeenten over kunnen laten. De tijd is voorbij dat gemeenten en provincies ‘polderen’.

Dr. Jacques van Dinteren is hoogleraar ‘Planning, ontwikkeling en management van werklocaties’ aan de faculteit Ruimtelijke Wetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen.

Belangstellenden kunnen de volledige tekst van de oratie opvragen bij j.van.dinteren@rug.nl