‘Hedendaagse muziek is het kloppend hart’

De Vlaming Tino Haenen (1956) is sinds 1 juni de nieuwe directeur van het Muziekgebouw aan ’t IJ. Haenen zet in op meer internationale ensembles.

Tino Haenen (Foto NRC Handelsblad, Maurice Boyer) Tino Haenen directeur Muziekgebouw Foto NRC H'blad Maurice Boyer 080617 Boyer, Maurice

De directie-assistente bereidt het bezoek vast voor op een schok: „Het is er wel erg veranderd hoor”. Jan Wolff, de zondag uitgezwaaide directeur van het Muziekgebouw aan ’t IJ, liet op zijn werkkamer een gezellige chaos ontstaan. Maar zijn opvolger Tino Haenen – door Wolff nadrukkelijk als geestverwant gepresenteerd – huldigt het motto ‘less is more’: de kamer met panoramisch uitzicht over het IJ is leeg, op een matglazen designtafel en een opgeruimd bureau na.

Is hier sprake van symboliek? Want ondanks de vaak hoge kwaliteit van de concerten, is het absolute aantal concerten sinds de opening in 2005 nooit echt overweldigend geweest. Op het gebied van eigentijdse muziek ging er soms gerust een maand voorbij zonder onmisbare concerten.

„Als dat zo was”, zegt Haenen, die de programmering van de vorige jaren niet nauwgezet heeft gevolgd, „ga ik dat wel veranderen. De hedendaagse muziek is voor mij het kloppend hart van dit gebouw, en daar ga ik veel van brengen.”

Net als Wolff wil hij daarnaast aandacht blijven besteden aan andere terreinen zoals wereld- en renaissancemuziek. Zelfs voor jazz heeft hij plannen, liefst in samenwerking met het Bimhuis. Maar de eigentijdse muziek wordt ‘core-business’: „Ik ben iemand die in de eenentwintigste eeuw leeft, en vooral dingen van nú wil tonen. Een hedendaagse componist ademt dezelfde lucht in als wij, kent dezelfde problemen als wij, en Beethoven niet.”

Het aanbod als geheel moet groter, vindt Haenen: „Mijn bedoeling is dat het Muziekgebouw zijn naam gaat waarmaken: zoveel mogelijk muziek, op zoveel mogelijk tijdstippen, met zoveel mogelijk kwaliteit.” Hij hoopt daarvoor wel op een groter budget dan het huidige, dat ongeveer gelijk is aan wat hij bij het Brusselse festival Ars Musica in drie weken mocht spenderen. Toch is er ook gevaar voor overaanbod, meent Haenen: „Ik denk dat er teveel concerten zijn, niet alleen in Amsterdam, maar op de hele wereld. Al die musici willen allemaal spelen, dat is ze eigen, maar je hebt ook het beperkte contingent mensen dat daar naartoe kan komen. In Brussel heb je soms vijf topevenementen op een avond. In Amsterdam lijkt me het aanbod soms ook gigantisch. Ik heb de neiging om de kwantiteit dan te verkleinen, als dan de kwaliteit dan maar hoger is.”

Die kwaliteit is in Amsterdam letterlijk in huis. Een aantal grotere ensembles houdt kantoor in het Muziekgebouw, hooguit een verdieping van Haenen verwijderd. Die nabijheid is een groot voordeel, zegt hij, maar toch wil hij ook vérder kijken.

Wolff, die als hoornist onder meer in Orkest De Volharding speelde, is een exponent en voorvechter van het Nederlandse ensemblewereldje. „Hij heeft vooral een plek willen geven aan de Hollandse ensembles en musici”, zegt Haenen. „Het is ook fantastisch dat die kwaliteit hier nu is en getoond wordt. Maar er is ook nog ándere kwaliteit.”

Naast het nationale aanbod wil Haenen daarom een serieuze internationale programmering gaan voeren. Hij denkt aan ensembles als Klangforum Wien, Ensemble Intercontemporain, MusikFabrik, Ensemble Recherche en Ensemble Modern – internationaal gerenommeerde gezelschappen die nu slechts incidenteel in Nederland te horen zijn. „Ik denk dat de Nederlandse ensembles daar ook alleen maar beter van zullen worden. Ze komen ook niet in gescheiden series: het wordt juist een mengeling van nationaal en internationaal.”

De druk om te internationaliseren komt ook van de gemeente Amsterdam, één van de belangrijkste subsidieverstrekkers van het Muziekgebouw. Haenen staat bekend om zijn grote internationale netwerk, dat hij opbouwde in zijn vorige functies (zie inzet). „Internationaliseren is één van mijn sterke punten,” zegt hij. „Ik heb in dat opzicht veel geleerd van mijn werk voor deSingel in Antwerpen, hét internationale kunstcentrum van België.”

Is er naast het binnenhalen van de internationale top ook een rol weggelegd voor de basis van de piramide: de kleine, jonge ensembles die zich nog geen positie hebben verworven?

„Vanuit mijn gevoel heb ik zin om te roepen: Ja, die moeten hier komen!” antwoordt Haenen. „Maar ik heb ook schroom om de deur hier zomaar open te gooien; dan krijg je een poppenkast. Ik moet dat eerst rustig gaan bekijken. Ze krijgen een plek, maar niet op om het even welke manier.”

Zoals over veel andere zaken wil Haenen, wiens eerste ‘eigen’ seizoen dat van 2009-2010 zal zijn, nog geen definitieve uitspraken doen. „Het Muziekgebouw is drie jaar geleden geopend. Drie jaar is niets. Kijk naar de lange traditie van het Concertgebouw. Daarom heb ik deze job ook aangenomen: ik kan hier nog echt richting aan geven. Het is nog niet vastgeklonken en in beton gegoten.