Een leger lege harnassen

Klaus Michael Grüber ving de complexiteit van teksten in veelzeggende beelden. Zijn Amsterdamse Parsifal-enscenering was historisch.

Klaus Michael Grüber in 1974 (Foto Ullstein bild) Klaus Michael Grueber Regisseur, D *04.06.1941-22.06.2008+ mit dem Buehnenbildner Eduardo Arroyo (r.) bei der Kostuemprobe zu 'Die Bakchen' von Euripides; links Angela Winkler - 1974 ullstein bild - Kneidl

Wie zijn driemaal hernomen enscenering van Wagners Parsifal (1986) bij De Nederlandse Opera zag, vergeet die nooit meer. De zwembadbrede tafel waaraan de graalridders hun maal gebruikten. Het falanx van lege harnassen dat op het graalmotief dreigend oprukte. Beelden regen zich als iconen aaneen.

Geen wonder dat DNO-leider Pierre Audi juist Klaus Michael Grüber in zijn hoofd had toen hij een regisseur zocht voor Wagners Der Ring des Nibelungen. Na lang peinzen bedankt Grüber voor de eer; de gedachte dat zijn leven zo lang door één werk zou worden overheerst, joeg hem schrik aan. Grüber, die als theater- en operaregisseur even smaakmakend als veelbesproken was, overleed gisterochtend in Frankrijk aan een longziekte. Hij werd 67 jaar.

Als assistent van Giorgio Strehler debuteerde de Duitse domineeszoon Grüber in 1968 in het Milanese Piccolo Teatro met doorslaand succes als regisseur van Brechts Der Prozess der Jeanne d’Arc. Kort daarop volgde zijn eerste operaregie: Bergs Wozzeck (1971) met decors van de schilder Eduardo Arroyo, met wie hij – zoals met meer kunstenaars, onder wie Anselm Kiefer – vaker samenwerkte.

Als operaregisseur liet Grüber zijn zangers de ruimte om tijdens de repetities spontaan op hun rol te reageren. Die aanpak nam hij over van de commedia dell’ arte, waar hij in Milaan kennis mee maakte en waarvan de invloed nog door echode in zijn Boris Godoenov voor de Brusselse Munt (2006).

Naturel spel was het broodnodig complement van de psychologische complexiteit van een tekst, vond Grüber. Maar hij was ook een regisseur die juist die complexiteit bij de lurven vatte, en verpakte in evenzeer gelaagde, prikkelende beelden. Zo maakte hij een zwermende bijenkorf in een glazen kubus tot middelpunt van Maderna’s Hyperion (Ned. Opera, 1991) – een opera waarin het isolement van de titelfiguur het onderwerp is. Evenzeer tot nadenken stemde zijn hier luid weggejoelde Otello (DNO 1996). Daarin verdween ten slotte een ondergaande zon langzaam achter de maan, terwijl de stervende Otello zijn al dode Desdemona te rusten kust.

Grüber was al geruime tijd ziek, maar bleef zo lang mogelijk actief. Deze zomer nog, zou hij Sciarrino’s Luci mie traditrici regisseren voor de Salzburger Festspiele.