Digitale vuilspuiterij

Vuilspuiten op internet, mag dat? Een man die homo’s, moslims en zwarten de grofste beledigingen toevoegde kwam er in Amsterdam (net) mee weg.

De zaak. Op een haatsite op internet verschijnen teksten waarin homo’s met ‘kruipdieren’ worden aangeduid, allochtone vrouwen met ‘ratten’ vanwege hun ‘werpfrequentie’, Joden met ‘schorem’. En zo verder. De officier van justitie eist veroordeling wegens belediging en discriminatie, ofwel overtreding van artikel 137c Wetboek van strafrecht.

Hoe kwalificeert de rechtbank de uitlatingen?

De rechters vinden de betreffende site „onmiskenbaar homofoob, racistisch, islamofoob en antisemitisch”. De termen die de verdachte zelf gebruikt „tasten de waardigheid en menselijkheid van de genoemde groepen op onaanvaardbare wijze aan”. De schrijver publiceert beledigende en tevens onnodig grievende teksten, die „niet van enig gevoel voor medemenselijkheid of respect getuigen”.

Dat zal dan wel verboden worden. Toch?

Nou, de keuze tussen het recht om niet gediscrimineerd te worden en het recht op vrijheid van meningsuiting blijkt niet makkelijk. Boven nationale wetten, zoals artikel 137 c, gaan verdragen. Artikel 10 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) geeft een hele catalogus van condities waaraan dergelijke beperkingen van de vrijheid van meningsuiting moeten voldoen. Om te beginnen moeten die „noodzakelijk zijn in een democratische samenleving” en in de wet staan. Het moet gaan om bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Als het over politiek gaat of over het algemeen belang moet er meer mogen. Informatie of ideeën die „schokken, kwetsen of in verwarring brengen” zijn met name beschermd. Zo’n beperking moet ook proportioneel zijn. Het strafrecht mag alleen worden gebruikt als er geen andere mogelijkheden zijn. Een veroordeling moet een dringende maatschappelijke noodzaak dienen. En relevant zijn.

Hoe redt de rechtbank zich daar uit?

De meeste criteria voor een verbod worden moeiteloos gehaald. Het discriminatieverbod staat netjes in de wet. Het is inderdaad bedoeld om rechten van anderen te beschermen. De rechters denken niet dat de internetschrijver bezig was met een publiek debat of een of ander algemeen belang diende met z’n hatelijkheden. Eerder leek de man bezig met het opzettelijk beledigen van anderen. Met opzet en uit kennelijke kwaadaardigheid. De vrijheid om te shockeren en te kwetsen is dan niet aan de orde.

Dat wordt dus een verbod.

Nee, de rechters vinden één bestanddeeltje van het delict niet bewezen. Artikel 137c gaat over „hij die zich in het openbaar [...] opzettelijk beledigend uitlaat”. Maar was die website wel ‘openbaar’? Deed hij z’n uitlatingen wel met opzet in het openbaar? Daar zijn twijfels. Het discussieforum is niet makkelijk te vinden. Wie er wat op kwijt wil moet zich registreren. Het forum (polinco.nl) dringt zich niet aan websurfers op. De aangifte is gedaan door het Meldpunt Discriminatie op Internet dat actief internet afspeurt. Niet door leden van de beledigde groepen. De rechtbank vond het veel meer een ‘semi-openbare’ website. De schrijver mocht veronderstellen dat hij alleen door een klein groepje gelijkgestemden zou worden gelezen. Hij heeft dus niet met opzet de openbaarheid gekozen. En dus is er niet aan alle bestanddelen van het wetsartikel voldaan.

De rechtbank vindt dat er pas sprake is van openbaarheid als je een aanmerkelijke kans loopt om „onverhoeds te worden geconfronteerd” met zulke teksten. Als websurfers het dus grotendeels zelf in de hand hebben of ze er kennis van nemen, is degene die vuil spuit niet strafbaar. Op ‘semi-openbare websites’ mag dus alles. Vrijspraak...

Folkert Jensma