De blits maken met een Servisch meisje

Voor jonge Kosovo-Albanezen de Kosovo-Serviërs vreemdelingen, ook al wonen ze op een steenworp afstand van elkaar.

Tijn Sadée

Aan een gemiddelde Kosovaar de weg vragen heeft weinig zin. De Kosovo-Serviërs komen hun enclaves zelden uit. Ze weten amper meer hoe Pristina eruit ziet, laat staan wat de kortste weg is naar hun hoofdstad. En de Kosovo-Albanezen? Die rijden met een grote boog om de enclaves heen.

Een gebied, in oppervlakte twee keer de provincie Brabant, met slechts twee miljoen inwoners, waar NAVO, VN, EU, OVSE en honderden westerse hulporganisaties al jaren hun tanden op stuk bijten. De Kosovaren zelf hebben zich verschanst achter een haag van schijnzekerheden: de Albanezen koesteren hun eenzijdig uitgeroepen onafhankelijkheid die nog maar weinig landen willen erkennen; de Serviërs klampen zich vast aan Belgrado dat veel belooft maar tot weinig in staat is.

Het contact tussen de twee bevolkingsgroepen herstellen, dat was het streven van de internationale gemeenschap die na de oorlog (1998-1999) het bestuur in Kosovo op zich nam. Idealisten uit Parijs, Amsterdam en Berlijn zetten multi-etnische projecten op. Miljarden werden geïnvesteerd. Maar het heeft allemaal weinig uitgehaald, zegt Vullnet, een 26-jarige vormgever bij een Kosovo-Albanees dagblad.

„Contact met Serviërs kan ik me nog slechts herinneren van toen ik een tiener was. Je maakte als Albanees de blits als je een Servisch meisje versierde. Die waren exotisch! Ze droegen hippe kleren, meegenomen door tantes uit Belgrado. Daarbij vergeleken waren onze Albanese meisjes lompe boerinnen.”

Sinds de oorlog heeft Vullnet Servische meisjes niet meer in het echt gezien. „Alleen op tv.”

Nerveus trekt hij die ochtend aan zijn sigaret als ik in de auto de kaart van Kosovo opensla en ons reisdoel van die dag aanwijs. Silovo – een Servische enclave net buiten de stad Gjilan, in het zuidoosten van Kosovo. „Wat heb ik daar te zoeken?” protesteert Vullnet, die me als tolk in Kosovo regelmatig begeleidt. „Ik spreek geen Servisch en ik ben daar als Albanees niet welkom?!”

Na lang aandringen zet hij de auto in beweging en in stilzwijgen – Vullnet omdat hij geïrriteerd is, ik vanwege twijfels over de slaagkans van dit experiment – rijden we richting de heuvels rond Gjilan.

Het is voor Vullnet, een hoogopgeleide, jonge, nieuwsgierige Kosovaar, zijn eerste reis naar een Servisch gebied, op nog geen vijftig kilometer afstand van zijn woonplaats.

“Brrrr, eng hè,” pest ik hem. Vullnet blijft stuurs voor zich uitkijken. Fotografen die ‘de kwestie-Kosovo’ in één beeld moeten vangen, zenden steevast een foto naar het thuisfront van de gespleten stad Mitrovica, waar NAVO-soldaten de wacht houden op de brug over de rivier de Ibar, de grens tussen het Servische en het Albanese stadsdeel. Vaak is daar slechts het gesnurk van NAVO-soldaten te horen. Maar het beeld van ‘een gespannen situatie’ heeft zich verankerd, ook in het hoofd van Vullnet. Zijn verbazing is dan ook groot als we een uur later de hobbelige weg naar het Servische Silovo inslaan, zonder ook maar één NAVO-soldaat of een rol prikkeldraad te hebben gepasseerd.

Van Latijn is het schrift plots Cyrillisch geworden. De cafés heten hier kafana’s. En op vergeelde verkiezingsposters prijkt niet langer het hoofd van een dubieuze Albanese zakentycoon-politicus, maar van een Servische demagoog die van oorlogsmisdaden wordt verdacht.

Maar verder? „De huizen zijn zoals bij ons, lelijk en nooit afgebouwd, en de mensen zien er hier ongeveer ’t zelfde uit,” mompelt Vullnet die zijn auto aan de kant zet. Met herwonnen zelfvertrouwen loopt hij de grootste kafana van Silovo binnen. Servische mannen, stevige kerels, die tegelijk met hun koffie Servische rakija drinken. Aan een tafel in een hoek zit een jonge vrouw, alleen. Vullnet is meteen verkocht. “Een engel! Wat is ze móói!” fluistert hij.

In een poging contact met de vrouw te maken veins ik journalistieke motieven en stel mijn meest obligate vraag: hoe is ‘de situatie’ in Silovo?

„Olivera,” zegt ze met hese stem, en na die ultrakorte introductie heb ik geen enkele vat meer op mijn tolk Vullnet. In het Engels beginnen de twee elkaar op te vrijen. Vullnet blinkt uit in kwinkslagen. De ogen van Olivera lichten op. Ze is wiskundelerares in Silovo, een dorp waar niet veel gebeurt. Vullnet komt meer dan gelegen. Liefde op het eerste gezicht.

Ik zit erbij, kijk ernaar, en zie hoe in de achtertuin van de kafana de Servische eigenaar instructies geeft aan bouwvakkers die een zwembad aanleggen. De bouwvakkers zijn Albanezen. Hoe communiceren zij in hemelsnaam?

„Wij zijn veertigers, opgegroeid in het Kosovo van vóór de oorlog, wij spreken elkaars talen nog,” legt de baas van de kafana later uit. „De generatie van die tortelduifjes,” zegt, wijzend naar Vullnet en Olivera, „dat zijn vreemden voor elkaar.”

In de namiddag, op weg terug naar Pristina, laat Vullnet een papier zien met daarop het e-mailadres van Olivera. Zijn gezicht straalt.

„Al die miljarden die zijn gestoken in onzinnige projecten,” zegt Vullnet. “We hadden het beter kunnen investeren in verplichte taalcursussen Servisch en Albanees.”

Korte geschiedenis, tekst grondwet en reportage uit Pristina op nrc.nl/kosovo