De absolute leider en zijn handlangers

Het belang van democratische controlemechanismen, daar denk je vooral aan bij het zien van de documentaire Jonestown, over het door de Amerikaanse leden van The People’s Temple zelf gebouwde dorp in het oerwoud van Guyana, waar in 1978 op bevel van de leider ruim negenhonderd mensen met hun kinderen zelfmoord pleegden.

„Ik heb het nooit zelfmoord genoemd”, zei een van de overlevenden. „We werden afgemaakt, we werden gewoon afgemaakt.” Hij barstte in tranen uit. Vlak daarvoor had hij verteld hoe iemand gif in de mond van zijn kleine zoontje had gespoten dat op de arm van zijn vrouw zat, hoe daarna zijn vrouw in zijn armen was gestorven.

Het leek altijd zo’n raar drama, ik moet eerlijk toegeven dat ik me er nooit erg in verdiept had. Mensen die zó achter een leider aanlopen dat ze bereid zijn zelfmoord te plegen – benauwend en dom. Maar die film, gisteravond op Canvas, maakte wel duidelijk dat het heel anders is gegaan. Helemaal niet vrijwillig. Zonder democratische controlemechanismen gaat het altíjd heel anders als er grote idealen en een sterke leider in het spel zijn. Dan ontaardt een ideaal in heilige plicht en ontstaat er een onderdrukkingsmechanisme dat andere meningen in de kiem smoort en allerlei handelingen en gedragingen als ‘verraad’ bestempelt.

Ook in Jonestown ging het zo, op de fatale laatste dagen, toen een Amerikaans congreslid op bezoek kwam, dat veel verontruste vragen van in Amerika achtergebleven oud-sekteleden had gehoord. Hij nam journalisten mee, stelde vragen en aanvankelijk had hij geen slechte indruk. Er werd een groot feest aangericht, er werd gedanst en gezongen, mensen getuigden van hun grote geluk. Niets aan de hand. Tot twee van de journalisten van verschillende mensen een briefje toegestopt kregen: „Help ons hier weg te gaan.” Dat die briefjes er waren bleef niet geheim. Het congreslid voelde zich onschendbaar, wist niet dat daar dag en nacht door luidsprekers de stem van sekteleider Jones klonk die de mensen voorhield dat er geen terugkeer mogelijk was, dat het beter was te sterven.

Die geluidsbanden zijn er nog, en filmpjes van gelukkige mensen in hun zelfgebouwde dorp, van het feest voor congreslid Ryan, van zijn voorzichtig enthousiaste reactie. Ook de geluidsband van de laatste dag. Je hoort Jones zeggen: „Het congreslid is dood.” Ryan werd met mensen die met hem mee terug wilden naar Amerika en met enkele van zijn medewerkers neergeschoten op de startbaan bij het vliegtuig waar ze net in wilden stappen. Ineens bleken er gewapende mannen te zijn in Jonestown, naaste medewerkers van de leider, die, zoals dat merkwaardig genoeg altijd gaat met naaste medewerkers van een absoluut leider, bereid waren te moorden.

Je hoort op de geluidsband hoe Jones zegt dat er nu geen weg terug meer is, dat ‘ze’ zullen komen en „onze kinderen en bejaarden folteren”, dat de leden er zelf een eind aan moeten maken, nú. Hij maant tot spoed. Het paviljoen waar de mensen zich verzameld hebben is omsingeld door gewapende mannen. Eerst moeten de moeders hun kinderen laten ombrengen. „Kom op, moeders, kom op.” „Snel, kinderen, snel. Zorg dat we niet in handen van de vijand vallen.”

Je ziet al die kindergezichtjes op foto’s en filmpjes van toen ze nog leefden. Je ziet de bekende beelden van al die dode mensen, armen om elkaar heen, kleine kinderen tussen hen in. „Quickly, quickly, quickly, dan kunnen de volwassenen beginnen.”

Soms denk je dat Zimbabwe in één groot Jonestown veranderd is, met ook daar een leider die liever iedereen dood ziet, dan aan zijn macht onttrokken. Het is een duidelijke stoornis waaraan zulke mensen leiden. Zijn mensen met een dergelijke aanleg meer op macht uit dan andere mensen? Macht maakt het, als die onbeperkt kan worden uitgeoefend, blijkbaar gemakkelijk om te denken dat er geen zaligheid is buiten de leider. Niet alleen voor de leider zelf trouwens, ook voor veel van zijn aanhangers.

Knoop het in de oren: vertrouwen is goed, controle is beter.