Code rood in de boefjesbank

Speciale alarmcodes voor minderjarigen en hun DNA in de databank. Wat komt er nog terecht van het jeugdstrafrecht?

Minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken) trekt 270.000 euro uit voor een ware ‘boefjesbank’. Een landelijk registratiesysteem moet signaleren of kinderen die in contact met de politie komen de kans lopen later op het criminele pad te raken zodat tijdig kan worden ingegrepen. Daartoe worden de geregistreerde kinderen voorzien van codes: wit (geen risico), geel (opkomend risico), oranje (probleem) of rood (alarm).

Waarop berusten die codes eigenlijk? Het voorspellen van afwijkend gedrag is notoir moeilijk. „Uit veel studies blijkt dat de voorspelling in de meeste gevallen helemaal niet uitkomt”, waarschuwde een beleidsadviseur van het ministerie van Justitie, Bert Berghuis, eerder dit jaar. „Ontwikkelingspaden zijn in forse mate juist onvoorspelbaar, ook bij (on)handelbare kinderen, ook bij (on)gunstige opvoedingssituaties”. De Radboud Universiteit valideerde in elk geval het vier kleurenmodel ProKid, dat een jaar werd getest door de regiopolitie Gelderland. De resultaten van de proef (2.932 kinderen) waren: wit 40 procent, geel 23, oranje 34 en rood vier procent. Criterium voor opname was of een kind het afgelopen jaar al in contact met de politie was geweest. Niet alleen als verdachte, meldde De Gelderlander, maar ook als getuige. Dat is niet direct een aanmoediging voor kinderen om de politie een handje te helpen.

Zo’n proef van een jaar zegt niets over het speciale risico van een boefjesbank, dat jongeren de kans lopen tot ver in hun meerderjarigheid achtervolgd te worden met een misstap uit hun jeugd, terwijl de oorspronkelijke context steeds verder achter de horizon verdwijnt. Hij neemt ook niet de zorg van Berghuis weg dat een boefjesbank „in veel, zo niet de meeste gevallen onnodig of zelfs schadelijk optreden van staatswege ten gevolge heeft”.

De juridische basis is zwak. De wet op de politiegegevens is onlangs flink verruimd. Maar het Europees verdrag voor de mensenrechten vergt onverminderd „een dringende maatschappelijke noodzaak” voor registratie, die bovendien niet disproportioneel mag zijn. Zeker bij jeugdigen. Het Internationaal verdrag voor de rechten van het kind (IVRK) zegt dat de belangen van het kind „de eerste overweging” vormen. Ook in het strafrecht. En de politie handelt per definitie niet in zekerheden maar in verdenkingen en vermoedens, ook met een academisch goedgekeurd model in de hand. Er is nog een tweede boefjesbank in de maak met opgeslagen DNA van minderjarigen die met de justitie in aanraking zijn gekomen. Het is een groei-industrie: begin 2006 zaten 1.627 minderjarigen in de DNA-databank, onlangs stond de teller al op 5.628. Dat dit een probleem is blijkt uit de verdeelde reacties van de rechtbanken, die bezwaren tegen DNA-opslag beoordelen. Een aantal (Zutphen, Breda) had weinig moeite met opslag, maar andere (Middelburg, Arnhem) kwamen na ampele afweging tot afwijzing. Dus moest de Hoge Raad via een speciale procedure uitkomst bieden. Op 13 mei besliste het hoogste rechtscollege dat minderjarigen niet aan het afstaan van DNA ontkomen. De DNA-wetgeving maakt geen verschil tussen volwassenen en jeugdigen. De Hoge Raad zegt botweg dat de DNA-wet geen ruimte laat voor nadere belangenafweging. Die heeft de wetgever al gemaakt. Bij de behandeling van deze wetgeving is, in de woorden van de procureur-generaal bij de Hoge Raad, overigens „nagenoeg geen aandacht besteed aan de positie van minderjarigen”. De Leidse hoogleraar jeugdrecht M. Bruning en M. Berger (Defence for Children International) betogen in het juridisch tijdschrift Strafblad met het IVRK in de hand dat de wet moet worden veranderd. Advocaat Chris Ingelse uit Maastricht wacht dat niet af en heeft een klacht ingediend bij het Europees Hof van de mensenrechten in Straatsburg. Nu heeft dit Hof 7 december 2006 de bezwaren van de (volwassen) Nederlander Van der Velden tegen het opslaan van zijn DNA van tafel geveegd. Maar die zaak had betrekking op bankovervallen en autodiefstallen gevolgd door 6 jaar gevangenisstraf plus tbs. Zoiets kan niet op één lijn worden gesteld met het gooien van stenen naar een woning, vechten op het schoolplein en de taakstraffen waarom het in de zaken van jeugdigen nogal eens gaat. We hebben toch niet voor niets een apart jeugdstrafrecht met een pedagogische opdracht? Ruim honderd jaar wordt rekening gehouden met leeftijd en ontwikkeling. „Zeker jonge mensen moet je altijd open tegemoet treden”, zei de scheidende officier van justitie Kees Goes tegen Het Parool: „zij hebben nog veel meer toekomst”.

Frank Kuitenbrouwer is medewerker van NRC Handelsblad

Reageren? E-mail kuitenbrouwer@nrc.nl of via nrc.nl/kuitenbrouwer