China steeds hartelijker tegen oude vijand Japan

Vandaag is voor het eerst sinds 1945 een Japans fregat aangemeerd in China. De betrekkingen tussen beide landen verbeteren zienderogen.

„De regering van president Hu Jintao is slechter en zwakker dan de laatste keizer van de Qing-dynastie.” En: „Waarom moeten we vlak voor de Olympische Spelen capituleren voor Japan?” Chinese internetters overspoelen op het ogenblik de grote websites met bozige commentaren op de belangrijke overeenkomst met Japan over gasboringen in de Oost-Chinese Zee en op de aankomst, vandaag, van het eerste Japanse fregat in een Chinese havenstad sinds 1945.

De communistische leider Hu vergelijken met de laatste keizer, die werd verjaagd na oorlogen en opstanden tegen concessies aan het buitenland, is zelfs voor Chinese nationalisten een extreme vorm van patriottisme.

Dat Hu met zijn opmerkelijke reeks diplomatieke initiatieven ter verbetering van de relaties met Japan en Taiwan op emotioneel verzet van vooral oudere Chinezen zou stuiten, was te verwachten. Alles wat met Japan te maken heeft ligt in China na twee grote oorlogen nog altijd gevoelig. Ouderen bewaren herinneringen aan omgekomen familieleden en jongeren zijn op school opgevoed met geschiedenisboeken over Japanse oorlogsmisdaden.

De meest populaire televisieseries zijn nog altijd die waarin Japanners op het slagveld worden verslagen of op andere manieren worden vernederd door Chinese soldaten of boeren. De jaarlijkse herdenking van het bloedbad van Nanking (1937) tijdens de Japanse invasie is een dag van nationale rouw, die overigens op steeds kleinere schaal wordt gerespecteerd.

Aan de andere kant prefereren jonge Chinezen Japanse auto’s en producten boven Chinese, is lunchen met sushi en misosoep een trend en wordt iedere modegril in Tokio snel gekopieerd. Ook het aantal jongeren dat Japans wil gaan studeren groeit jaarlijks, net als het aantal toeristen. En tienduizenden Chinezen werken tot hun tevredenheid in de Japanse auto- en elektronicafabrieken in de provincies aan de oostkust.

Chinese leiders moeten als het gaat om Japan uiterst voorzichtig opereren, maar toch kunnen zij hun beleid uitvoeren zonder grote stormen van verontwaardiging uit te lokken. Velen in China zien daar de logica van in. Japan is de op een na grootste economie van de wereld en China zal dat over een aantal jaren zijn. Voor Japan is China een cruciale afzetmarkt en China heeft Japanse technologie en fondsen nodig. Er wordt dus geïnvesteerd in goede betrekkingen en het neutraliseren van potentiële conflicten, zoals over de gasboringen in de Oost-Chinese Zee en het onopgeloste dispuut over de Senkaku-/Diaoutai-eilandjes.

Het meest opvallende aan de opstelling van China is dat Hu de eis dat Japan op royale en oprechte wijze excuses aanbiedt voor de oorlogshandelingen tussen 1931 tot 1945 zonder enige ophef heeft laten vallen. Hij rept daar met geen woord meer over, net zo min als de Chinese media.

Hu heeft natuurlijk ook door ontwikkelingen in Japan zelf de ruimte gekregen voor zijn manoeuvres. De huidige Japanse premier, Yasuo Fukuda, laat zich weinig gelegen liggen aan nationalisten die nog altijd de Japanse invasies in China (en andere Aziatische landen) verdedigen. Fukuda – die al twee maal in Peking is geweest – vaart een uitgesproken pro-Chinese koers, uiteraard uit welbegrepen Japans eigenbelang. Ook in Japan is kritiek op het energieakkoord, maar ook daar lijken nationalisten niet in staat het diplomatieke feest te bederven.

Achteraf bezien blijken de riskante incidenten van september 2005, toen Chinese kanonneerboten hun wapens richtten op een Japans verkenningsvliegtuig en Chinese schepen de Japanse zones binnendrongen, een keerpunt te zijn geweest. Na de vrieskou in de relaties kwamen in 2006 en 2007 onderhandelingen op gang die hebben geleid tot het nieuwe energieakkoord. De principiële vragen over de grenzen tussen de zogeheten „exclusieve economische zones’’ zijn overigens nog niet beantwoord. Daar mogen zeerechtspecialisten zich over gaan buigen.

Voor Hu is de overeenkomst het tweede diplomatieke succes in korte tijd en dat komt vlak voor het begin van de Olympische Spelen goed uit. Het beeld van een „vreedzaam oprijzende wereldmacht’’ wordt daarmee volgens de Chinese media bevestigd.

In dat kader past ook de nieuwe hartelijkheid tussen Peking en Taipei. De vliegmaatschappijen China Southern (in Guangzhou) en China Airlines (Taiwan) tekenen vandaag het contract voor de start van rechtstreekse chartervluchten tussen China en Taiwan. Een eerste stap die door The New York Times in de rij van „nieuwe diplomatieke aardschokken’’ in Azië werd geplaatst.

Bij een toeristische luchtlijn zal het niet blijven, herhaalde de nieuwe Taiwanese president Ma Ying-Yeo (van de partij Kuomintang) gisteren in gesprek met de Japanse televisie. Ma wil in de komende twee jaar met China akkoorden sluiten over wederzijdse investeringen, permanente luchtverbindingen en het afschaffen van tal van economische barrières.

De pro-Chinese Ma gaat zover dat sommige Chinese commentatoren zich al verheugen over de „organische hereniging’’ van China en Taiwan. Daar wordt overigens in oppositiekring in Taiwan anders over gedacht. Er zou eerder sprake zijn van „economische annexatie door China”.

Oude wonden trekken in Azië maar langzaam dicht, constateren historici vaak en dat blijkt ook uit dit soort reacties en de reeks onopgeloste kwesties, maar de genezing vordert op het ogenblik wel in verrassend hoog tempo.