April was de wreedste maand

Twee wetenschappers vonden in Homerus’ Odyssee verwijzingen naar een grote zonsverduistering die plaatshad in de 12de eeuw voor Christus. Nam Odysseus op die dag wraak?

Het is een van de beroemdste scènes van Homerus’ Odyssee: de Griekse held Odysseus rekent af met de vrijers die zijn vrouw Penelope jarenlang hebben lastig gevallen. Maar wanneer precies speelde deze ultieme wraakactie zich af?

Op 16 april 1178 voor Christus. Tenminste, dat menen twee Amerikaanse wetenschappers, Marcelo O. Magnasco van de Rockefeller University in New York en Constantino Baikouzis van het astronomisch observatorium van La Plata, Argentinië, te kunnen stellen op basis van de Odyssee.

In de interneteditie van het tijdschrift Proceedings of the National Academy of Science gebruiken ze astronomische aanwijzingen uit het epos van Homerus (ca 700 v. Chr.) om de terugkeer van Odysseus precies te dateren. „Homerus wist waarover hij praatte”, e-mailde Magnasco gisteren aan de Associated Press.

Magnasco en Baikouzis baseren hun conclusies op een vijftal in de Odyssee geregistreerde natuurfenomenen. Op de dag van de slachting is de zon niet zichtbaar aan de hemel, terwijl het nieuwe maan is – een duidelijke aanwijzing voor een volledige zonsverduistering. Zes dagen voor de slachting is Venus zichtbaar aan de hemel. Negenentwintig dagen ervoor zijn twee sterrenbeelden, de Plejaden en Boötes, tegelijkertijd zichtbaar bij zonsondergang. En 33 dagen ervoor staat Mercurius hoog bij zonsopgang, dicht bij het westelijkste gedeelte van zijn baan.

Die laatste aanwijzing staat overigens niet letterlijk zo in de Odyssee. Homerus schreef dat Hermes, de god die van de Romeinen de naam Mercurius kreeg, ver naar het westen reist. Ook voor de conjugatie van de Plejaden en Boötes moet je de Odyssee wat aandachtiger lezen dan gewoonlijk. Homerus dicht dat als Odysseus wegvaart van de nimf Calypso op het eiland Ogygia ‘de slaap zijn oogleden niet bezwaart terwijl hij kijkt naar de Plejaden, de laat ondergaande Boötes en de Beer’. Magnasco legt uit dat „aangezien Odysseus kort na zonsondergang wegvaart, de Plejaden en Boötes tegelijkertijd zichtbaar waren in de nautische schemer, en dat Boötes het langst aan de hemel bleef.”

Magnasco benadrukt dat hij er niet op uit is om de historiciteit van de terugkeer van Odysseus te bewijzen; hij zegt zich ervan bewust te zijn dat de Odyssee fictie is. „Ons artikel bewijst alleen dat Homerus weet had van astronomische fenomenen die ver voor zijn tijd plaats hadden, zoals een zonsverduistering. En ook dat er altijd ruimte is voor nieuwe interpretaties van zijn werk, ook al zijn er inmiddels bibliotheken vol Homerische studies.”

Ook over de vraag of de Trojaanse oorlog, waarin Odysseus een grote rol speelde, werkelijk gebeurd is, wordt nog steeds gedebatteerd. Opgravingen op de heuvel Hisarlik in de Troas in West-Turkije, in 1871 begonnen door de Duitse archeoloog Heinrich Schliemann, hebben de vele lagen bewoning van de door Homerus in de Ilias beschreven plaats aan het licht gebracht. Het is laag VIIa, de prehistorische stad die aan het eind van de 13de eeuw voor Christus verwoest werd, die geldt als het Homerische Troje.

Dat er een Troje is geweest, betekent niet dat mythische helden als Agamemnon en Odysseus hebben bestaan. En de astronomische bevindingen van Magnasco en Baikouzis bewijzen dat volgens de twee wetenschappers ook niet. „Wat wij willen bereiken, „schreef Magnasco gisteren aan AP, „is dat lezers de Odyssee weer oppakken en met nieuwe ogen herlezen.”