Verlies

De grafsteen vertoonde hier en daar barsten. Mos groeide in de uitgehakte letters. In een knalrood fietstenue stond ik te kijken naar de dood in mijn jeugd. Tijdens een trainingsritje was ik even gestopt in Hazerswoude. Op het kerkhof van dat dorp lagen drie mensen in een familiegraf; mijn opa, oma en oom Jacob.

Oom Jacob, mijn peetoom. Hardwerkende boer met zijn mobiele melkkrukje hangend aan zijn achterste. Ik kreeg altijd een grote doos kastanjes voor mijn verjaardag, herinnerde ik me. Het duurde even voor ik wist hoe oud ik was bij het overlijden van oom Jacob. Een jaar of zeventien. Dood, dat was eng in die tijd. Dood was God. Dood was ogen dicht. Dood was kist.

Kort na het overlijden van mijn oom moest ik een voetbalwedstrijd spelen met mijn elftal. Ik wilde iets doen voor die arme oom met zijn koeien en kastanjes. Ik besloot de wedstrijd aan hem op te dragen.

In stilte.

Niemand wist van mijn eerbetoon; mijn ouders niet, mijn trainer en teamgenoten evenmin. Van die zaterdagmiddagwedstrijd weet ik niets meer. Hoe gooi je een bal in als je net aan je dode oom Jacob denkt? Hoe herdenk je tijdens een sliding een melkkrukje?

Voorafgaand aan de wedstrijd van het Nederlands elftal tegen Rusland sprak Marco van Basten over de geestestoestand van Khalid Boulahrouz. De speler en zijn vrouw maakten een paar dagen eerder mee hoe hun te vroeg geboren kindje het leven liet. Boulahrouz had aangegeven te willen spelen. ‘Boulah heeft het een plaats kunnen geven’, zei de bondscoach, even in de rol van welzijnswerker.

Zaterdagavond stond Khalid Boulahrouz op het veld tegen Rusland. De spelers van Oranje droegen een rouwband. Naast de ruim zeven miljoen televisiekijkers in Nederland hoorden miljoenen anderen in de wereld op dat moment ook van de tragedie.

Ik vond het hoofd van Boulahrouz tijdens het Wilhelmus onvergetelijk. De camera gleed langs zijn gezicht. Harde kaaklijn, uitstekende jukbenen, blik schuin omhoog. En toch, de spanning van het moment won het van de poging om een beeld van graniet te lijken. Boulahrouz had gewoon een gevoelige mensenhuid en die trilde, bij de wang.

Afgelopen week was er een enquête van Maurice de Hond: het Nederlandse volk vond dat Oranje het Wilhelmus moest meezingen. Boulahrouz hield iedere keer zijn lippen op elkaar. ‘Den vaderland getrouwe, blijf ik tot in den dood’, is een van die wonderlijke zinnen in het volkslied. Die moest hij maar even niet zingen, leek mij zo.

In de tweede helft werd Boulahrouz vervangen. Hij speelde – zoals heel Oranje – matig, kreeg geel en had last van een blessure. Onder groot applaus met diepere bijbedoeling liep hij naar de zijlijn. Toen de hoofdpersoon van het gemeenschappelijk verdriet van het veld was, had ik de neiging om de rouwbandjes van de Oranjespelers in te nemen. Om ze te bevrijden, om het tij te keren.

Maar dit moest kennelijk de week van het verlies zijn. Groot en klein verlies. De fans op de pleinen van Bazel spoelden de verloren kwartfinale weg met 245.000 liter bier. Ze zongen hun liedjes nog maar eens, tegen beter weten in. Voor het grote verlies van Boulahrouz was geen probaat middel voor handen. Geen drank, geen lied.

Na alle kabaal van de afgelopen tijd is het nu de stilte die alles ‘een plaats’ moet geven.