‘Uit verweekte hersenen komen goede dingen’

Wiljan van den Akker kreeg onlangs de C. Buddingh prijs voor debuterende dichters voor zijn bundel De afstand. De gedichten ontstonden vanuit de muziek in zijn hoofd.

Wiljan van den Akker Foto Florèn van Olden Olden, Floren van

Gedichten bewonderen en bestuderen, graag. Maar ze zelf schrijven en ook nog eens de wereld in sturen, daar bedankte Wiljan van den Akker (1954) voor. Tot de muziek in zijn hoofd taal werd en er toch een bundel van zijn hand verscheen. Vorige week won hij met De afstand de C. Buddingh’-prijs voor debuterende dichters. „Vragen opwerpen, dat is de essentie.”

Jaren geleden, als scholier nog, ontdekte Van den Akker de rijkdom van poëzie: „Hier kan ik een leven mee vooruit.” De volgende veertig jaar vulde hij dan ook voor een groot deel met poëzie. Halverwege de jaren tachtig, hij was toen 32, werd hij hoogleraar Neerlandistiek aan de Universiteit van Utrecht. Niet lang daarna werd hij ook nog benoemd tot directeur van het Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur.

Van den Akker: „In die tijd was het binnen de universitaire wereld eigenlijk not done om als wetenschapper zelf gedichten te schrijven. Maar ik had er ook geen behoefte aan. Ik had het druk met mijn banen en mijn gezin en kon bovendien mijn creativiteit prima in de wetenschap kwijt.”

De gedichten uit De afstand ontstonden pas toen in Van den Akkers hoofd twee dingen samenkwamen. „Naast poëzie houd ik al mijn leven lang van de meest uiteenlopende muziek. Ik sta ’s ochtends op en heb deuntjes in mijn hoofd. Vijf jaar terug merkte ik dat die muziek en de taal in mijn hoofd als het ware samenvloeiden. Ik kon er opeens een talige weergave maken. Met die symbiose ontstond ook meteen de urgentie om dingen op papier te zetten.”

Wat onder zijn ogen ontstond, vond hij echter niet goed genoeg. „Ik houd mij natuurlijk al erg lang met poëzie bezig en heb veel tweede- en derderangs materiaal van anderen de revue zien passeren. Zoiets wilde ik dus niet uitbrengen. Ik merkte echter ook dat ik door het schrijven en teruglezen van de gedichten associaties met andere dingen kreeg, dat er andere ‘deurtjes’ in mijn hoofd opengingen die toegang verschaften tot veel interessantere stof. Via steeds nieuwe deurtjes ontstond uiteindelijk iets waarvan ik wist: dit is het. Je hoort een klap en ik ben bij het laatste deurtje aanbeland. Zo is het af.”

De afstand zit vol paradoxen en onbeantwoorde vragen. Van den Akker: „Dat vind ik ook zo boeiend om te doen. Vragen opwerpen in plaats van antwoorden ophoesten, dat is de essentie. Geen bevestiging, maar ontregeling. Die insteek heeft ongetwijfeld ook met mijn achtergrond als wetenschapper te maken.”

Van den Akker merkte dat het goed dichten is na een lange werkdag vol beleidsstukken schrijven en colleges geven. „Als ik na 12 uur scherpte met totaal verweekte hersenen ga schrijven, komen er juist vaak heel goede dingen. Ik heb dan ook geen bijzondere omstandigheden nodig om gedichten te schrijven. In de trein of het vliegtuig: geef me een pen en papier en er komt iets.”

Op zeker moment bereikte het gerucht dat professor Van den Akker aan het dichten was geslagen Lex Jansen van uitgeverij De Arbeiderspers. „’Die wil ik nu lezen’, zei hij tegen me. Hij nam ze mee en belde me twee weken later op met de mededeling dat hij met De afstand een van de beste dingen in handen had die hij ooit had gelezen. Dan heb je dus de mogelijkheid om te publiceren, maar ik had nog steeds twijfels. Toen vroeg ik me af: bestaat dit eigenlijk wel wat ik heb gemaakt? Kan iets in het duister bestaan?”

Na de toekenning van de C. Buddingh’-prijs reageerden ook collega-academici positief. „Dat zou vijftien jaar terug wel anders zijn geweest. Dat is mooi, al vind ik het belangrijker dat ik mijn uitgever nu zonder schaamte kan vragen om in de toekomst nog een bundel van me uit te geven.”

Meer over Wiljan van den Akker op nrcboeken.nl