Oranjefans zijn net groep brullende chimpansees

Cognitief psycholoog Harold Bekkering begrijpt waarom Nederland verdrietig is, maar niet zo heel erg.

Oranje, the day after.

Een camping nabij Bazel met Oranjefans. Foto Merlin Daleman Zwitserland, Pratteln, 21-06-08 Een fan camping oranje gekleurd nabij Basel. © Foto Merlin Daleman

In groepjes van twee, hoogstens drie slenteren ze richting het station van Rotterdam – zaterdagnacht na de wedstrijd. De oranje T-shirts en hemden, die ze eerder op de avond nog zo parmantig droegen, hebben ze weggemoffeld onder jassen en truien. Hun schouders zijn gebogen, hun blik is leeg en spreken doen ze bijna niet. Een jongen trapt tegen een stuk karton dat op straat slingert. In een prullenbak ligt een oranje verenboa. De stilte wordt even doorbroken door een auto die toeterend voorbijkomt. Een groepje jongeren kijkt geïrriteerd op. Vrolijkheid wordt nu even niet gewaardeerd.

De 3-1 nederlaag tegen het Russische elftal is hard aangekomen bij de Nederlandse supporters. De blijmoedige eensgezindheid van massa’s in oranje uitgedoste supporters is in een klap verdwenen. Het is nu weer ieder voor zich. Maar er is ook ontzag, voor de Russen. In een avondwinkel op de West Kruiskade praten twee fans na over de wedstrijd. „Rusland speelde gewoon heel goed, dat heeft Hiddink goed gedaan. Respect man, respect.”

Voetbal is oorlog, maar zó’n vijand haten doe je niet. Rusland was een terechte winnaar. En het brein achter die winnaar was ook nog eens een Nederlander.

Zondagochtend aan de telefoon zegt Jan van Hooff, evolutiebioloog, primatoloog en oud-hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, dat hij zich niet anders dan normaal voelt. „Prima. Het was een fantastische wedstrijd. Of nee...” Hij aarzelt. „Het begin was niks. Maar de tweede helft was spannend. De Russen deden het uitstekend.” Hij aarzelt weer. „Al heb ik geen enkel gevoel bij dat team. Het was alleen wel aardig om te zien hoe Guus Hiddink het deed.”

Eerder deze week, vóór zaterdagavond, zei Van Hooff – leermeester van de primatoloog Frans de Waal – dat hij zichzelf bij elke wedstrijd moest toespreken. Man, kerel, wees toch rationeel. Maar hij voelde dat hij er toch in opging, in wat hij beschrijft als chimpanseegedrag. Want daar lijkt de primaat mens volgens hem – en volgens de Britse antropoloog en zoöloog Desmond Morris – nog het meest op als er wordt gevoetbald: de chimpansee. Niet op de gorilla, want gorillamannen leven allemaal apart met hun eigen harem. Ze hebben het niet nodig om met elkaar tegen andere gorillamannen op te trekken.

Maar chimpanseemannen leven samen in grote, onoverzichtelijke groepen. Ze moeten vrouwen overhalen om zich bij hen te vestigen en te laten verdedigen. „Dat doen ze”, zegt Van Hooff, „met imposante loei- brul- en stamprituelen. Ze drukken er hun euforie mee uit, maar ook hun saamhorigheid. Mijlenver te horen, dus een intimiderende boodschap voor naburige mannen.”

Van Hooff zegt dat mensen voortbouwen op een oude erfenis. „Wij schilderen onszelf oranje. Wij kennen de eerste vier woorden van het Wilhelmus uit ons hoofd. Dat zijn onze identitymarkers. Sluit je bij ons aan, de succesvollen! Hoe onoverzichtelijker de groep, hoe groter de behoefte daaraan.”

Zolang er tenminste succes is. „Zonder succes”, zegt Van Hooff, „dondert het in elkaar. Dan moeten al die vlaggen ook meteen weg.” Na verlies komt de droefenis, dan de relativering. Wat stelt het nou eigenlijk allemaal voor?

Harold Bekkering, cognitief psycholoog, hoogleraar aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, heeft afgelopen jaar met zijn groep onderzocht hoe de breinen van voetbalsupporters reageren als ze hun eigen club of de tegenstander zien verliezen. De opzet was simpel – er werden functionele MRI’s gemaakt bij zeventien Nederlanders en vijf Duitsers terwijl ze oude televisiebeelden van al dan niet benutte strafschoppen te zien kregen – maar de (nog te publiceren) resultaten zijn minder eenduidig dan verwacht.

Het bleek bijvoorbeeld niet uit te maken of een Nederlander een Duitser zag scoren of missen, of een Duitser een Nederlander. In alle gevallen registreerde het brein bij elk schot in de allereerste plaats ‘mis!’ of ‘raak!’ – zonder verdere emotie. Bekkering had gedacht dat een raak schot van de eigen club altijd de ‘juichgebieden’ zou activeren, en een gemist schot altijd de ‘foutgebieden’.

Maar de hersengebieden die bij persoonlijk stress betrokken zijn, reageerden wel zoals hij had verwacht. Een gemist schot van de eigen club levert aanzienlijk meer activiteit op dan een gemist schot van de tegenpartij. Bekkering: „Het heeft te maken met zelfgevoel, met identiteit. Je bént je eigen club, je bént oranje. Je kruipt als het ware in hun huid. En dat zie je gerepresenteerd in het brein.”

Bekkering zegt, zondagochtend aan de telefoon, dat de „treurnis” over de nederlaag van oranje hem meevalt – bij hemzelf, maar ook bij de deelnemers van het schaaktoernooi in Amsterdam waar hij nu is. En, zegt hij, door het onderzoek van het afgelopen jaar begrijpt hij nu beter hoe dat komt. „Oranje had weinig kansen om te scoren, dus ook weinig gemiste kansen. Dat deel van het brein bleef relatief rustig. De fouten van beide partijen werden sowieso geregistreerd en het gevoel van zelfidentificatie werd beïnvloed door het feit dat de tegenstander terecht won. De vijand was gewoon beter.”

De meeste winkeliers hebben de oranje versiering al weggehaald. Mensen beginnen de oranje vlaggetjes in hun straat weer naar beneden te halen. Die zijn nu niet meer dan een pijnlijke herinnering.