Op Roots Festival zijn musici aaibaar

Wereldmuziek Amsterdam Roots Festival. Gehoord: 19/6 Tropentheater en 21/6 Melkweg, Amsterdam.

Baaba Maal viel mee en tegen. De Senegalees verraste als slotact van het Amsterdam Roots Festival in de volgestroomde Max met een ijzersterke eerste helft waarin hij met alleen zijn gitaar in ouderwetse troubadour-stijl de sterren van de hemel zong. Vervolgens bewoog hij zich met steeds meer musici weloverwogen en goed getimed in de richting van de moderniteit. Daarna was het gedaan met de kunst en ontaardde zijn optreden in een platte show met véél komende en gaande musici en erotisch bedoelde flauwiteiten.

De andere optredens op de slotdag waren verbazingwekkend door de contrasten tussen vorm en inhoud, het toneelbeeld en de muziek. Zoals bij het uit Kenia afkomstige gezelschap Kenge Kenge, dat in een designvariant van militaire kostuums muziek maakte die zo van het wilde land leek te komen. Met trommels, eensnarige vedels, koehoorn en schallende meerstemmige zang werd het publiek tot dansen verleid, maar na een half uurtje werkte het niet meer. Na zo’n safari door de woestenij krijg je van het reisbureau toch altijd een borrel?

Bij de Ishumars uit Niger was de verwarring nog groter. Ten eerste omdat deze exotisch uitgedoste woestijnrebellen – jurken, tulbandsluiers enzovoort – vergeten waren hun gymschoenen door muiltjes te vervangen. Nog opmerkelijker was echter dat er achter deze vier mannen drie jongens in burger opereren die een voorkeur hebben voor soul, funk- en wereldmuziek uit de jaren zestig en zeventig. Van Bo Diddley en de Alan Price Set tot Santana; dat verwacht je niet van een Afrikaanse groep.

Bij het SpokFrevo Orquestra uit het Braziliaanse Recife was er geen sprake van tegenstrijdigheden. Het 18-mans gezelschap was gekleed in keurige pakken en speelde even strak, accuraat en bovendien zo snel dat het soms leek alsof een 33-toeren plaat werd afgedraaid op 45-toeren snelheid. Het percussietrio miste geen enkel accent, de gitaristen kenden hun Carlos Jobim en Jaco Pastorius, leider ‘Spok’ speelde virtuoos saxofoon en de andere blazers bleken goed voor minstens één break van vier of acht maten.

Het eindigde zoals het hoort bij een orkest dat is verdwaald in een keurig westers instituut; met een polonaise door de gangen. Waarna musici en bezoekers verbroederden, handen schudden en knuffels gaven. Het past en is tekenend voor Amsterdam Roots dat de musici er zó aanraakbaar zijn.

    • Frans van Leeuwen