Ondergang

Op de dag van de ondergang van Nederland kwam mij de volgende anekdote ter ore.

Een jong echtpaar vierde op deze dag zijn bruiloft. Het feest was lang daarvoor gepland en kon niet meer worden uitgesteld. De al uitgenodigde bruiloftsgasten lieten weten dat zij het op prijs zouden stellen als ’s avonds tijdens het feest de voetbalwedstrijd Nederland-Rusland op beeldschermen kon worden gevolgd.

Daar komt niets van in, reageerde de bruid, ik trouw, als het goed is, maar één keer in mijn leven en ik wil dat niet laten verpesten door allerlei voelbalgedoe. Ze zal uiteindelijk wel toegeven, veronderstelden de gasten, en ze meldden zich op de bruiloft. Maar de bruid bleek voet bij stuk te houden: er kwamen geen beeldschermen.

Nou, dan gaan we weer, zeiden de gasten, en ze vertrokken na de felicitaties massaal.

Toen ik dit verhaal gehoord had, kreeg ik opeens aanmerkelijk minder moeite met de nederlaag van ‘Oranje’. Eerst zag ik de verlaten bruid voor me, verdwaasd ronddolend door een lege feestzaal, vervolgens hoorde ik de gedeserteerde feestgangers in hun café onthutst ach en wee roepen, terwijl ze naar de herhaling van het derde Russische doelpunt keken.

Zelden had God adequater gestraft.

Misschien zag Hij ons – die acht miljoen hysterische voetbalorangisten thuis en in Bazel – wel allemaal als zich superieur wanende feestgangers die een lesje verdienden. We moesten maar weer eens met beide beentjes op de grond gezet worden. Wég met al die zelfingenomenheid en, vooral, zelfoverschatting. En Hij liet Zijn zegen rusten op een ander volk, dat Hem lang genegeerd had, maar nu weer naar Hem zou terugkeren.

Zoiets.

Ik geef toe dat het een aanvechtbare, gevaarlijk naar de EO ruikende speculatie is over de ondergang van Nederland, maar tot dusver hoorde ik geen betere theorieën. Freek de Jonge zocht gisteravond op tv de oorzaak in ‘afzakkende rouwbanden’ en vond dat Arjen Robben een andere dokter had moeten nemen. Jan van Halst hield het op tactische misgrepen, Hugo Borst op de slechte conditie en Danny Blind vond de Russen fantastisch.

Maar dat ene woordje – zelfoverschatting – wilde maar niet vallen, hoewel we op dat gebied toch beslist een naam hebben te verliezen. Ik hoef maar ‘1974’ te zeggen en de hele wereld weet wat ik bedoel.

We wonnen in Zwitserland van twee grote voetbalnaties-in-verval en we waanden ons al troonopvolger. De voetbalanalytici in de media wilden het feestje niet verstoren en riepen ook hosanna, hoewel de wedstrijd tegen het sterkere Frankrijk hen al te denken moet hebben gegeven. Zelfs Bert Maalderink, de kritische NOS-geest, ging om. „Je was geweldig”, zei hij tegen Van Persie. „Ach, het kon beter”, moest zelfs deze, toch bepaald niet bescheiden, voetballer hem corrigeren.

Terwijl ‘onze jongens’ al na de eerste overwinning op de training als helden werden bejubeld door tienduizenden supporters, was er één Nederlander die nuchter bleef. Hij analyseerde onze tekortkomingen en handelde ernaar. Misschien moeten we vaststellen dat Gods zegen ook op hém rustte, maar in zijn geval zou ik het liever omdraaien, al zullen ze daar bij de EO bezwaar tegen hebben.

Helaas was hij in dienst van de vijand.