‘Oma’ knapt graag de vuile werkjes op

Waterpoloster Gillian van den Berg (36) woonde met haar vriend en zoontje op Sicilië toen ze besloot terug te keren in het Nederlands team. Dankzij haar ouders kan ze nog één keer dromen van een olympisch succes.

Vraag Gillian van den Berg niet hoeveel interlands ze precies heeft gespeeld voor Nederland. „Joh, dat houdt niemand bij”, zegt ze dan. „Ik denk een stuk of 450, geen idee. Vanavond spelen we tegen China, maar ik weet niet eens of dat een officiële interland is. Zet maar vierhonderd neer.”

Haar jongere ploeggenoten noemen haar liefkozend ‘oma’. Ze is 36, moeder van een zoontje van twee, Luca, en ze woont op Sicilië. Desondanks slaapt Gillian van den Berg twee keer per week op een stapelbed in een gebouwtje dat veel weg heeft van een jeugdherberg, diep opgeborgen in de bossen tussen Zeist en Woudenberg. Daar, op het sportcentrum van voetbalbond KNVB, tegenover het overdekte polobad, schept ze na een zware ochtendtraining haar lunchbordje vol. Tot haar tevredenheid heeft de kok vandaag spaghetti gemaakt. Alsof ze thuis is, in Palermo.

Alleen een evenement als de Olympische Spelen kan een rustig leventje als dat van Gillian van den Berg en haar partner Emanuele Pirazzoli zó door elkaar gooien. ‘Peking’ moet voor Van den Berg de bekroning worden van een lange carrière – die ze eigenlijk in 2005 al had beëindigd toen ze moeder werd.

Dat Gillian van den Berg een waterpolo-international zou worden naar wie haar club De Gouwe in Waddinxveen een jaarlijkse talententrofee zou noemen, stond bepaald niet in de sterren geschreven. „Mijn vader zwemt nog steeds met bandjes”, zegt ze lachend. Als kind kwam ze op de zwemclub terecht na een zwemvierdaagse, en raakte gefascineerd door waterpolo.

Toen ze begin jaren ’90 doorbrak stonden de Nederlandse vrouwen aan de absolute wereldtop. In 1990 was Nederland wereldkampioen. Van den Berg zelf debuteerde in 1993 als international met de Europese titel. Maar tot nu toe bleef het bij dat succes. „We zaten altijd in de medailles”, zegt Van den Berg, die vier WK’s speelde. Volgende week begint ze in Malaga aan haar zevende EK.

Een medaille was ook de Nederlandse doelstelling toen het vrouwenwaterpolo in Sydney (2000) de olympische status kreeg. Maar het draaide uit op een enorme deceptie voor Van den Berg en haar collega’s, die een ‘zekere’ medaille verspeelden en als vierde eindigden.

Acht jaar later erkent Van den Berg dat de ploeg destijds simpelweg onvoldoende trainde, zeker in vergelijking met de concurrentie. „Als je de trainingsuren van toen vergelijkt met nu, is dat een wereld van verschil. We werkten allemaal nog naast het waterpolo, dus er was niet zoveel mogelijk. Ik werkte 36 uur per week als secretaresse bij een autoleasemaatschappij in Gouda. Twee of drie keer per week reed ik naar Zeist om te trainen.”

In de achtervolging op concurrenten als Australië, Rusland en de Verenigde Staten sloeg na ‘Sydney’ ook in Nederland de professionalisering toe. Trainingsweken van vier of vijf dagen, het hele jaar door, zijn nu ook in Nederland volstrekt normaal. Van den Berg: „Pas vanaf Sydney zijn we fulltime gaan trainen. Voor die tijd stonden we nooit in een krachthonk. Maar je merkt nu dat je dat nodig hebt. We hadden nog geen lactaattesten, waarbij gemeten wordt wanneer je lichaam verzuurt. Dat hoort er nu helemaal bij, net als mentale trainingen met een sportpsycholoog. Daarmee leer je elkaar beter begrijpen, je leert hoe je met spanningen moet omgaan, hoe je een foutje in de wedstrijd kunt ‘parkeren’, zodat je verder kunt spelen zonder dat het je spel verder beïnvloedt.”

In het water is Gillian van den Berg „de stofzuiger” van de nationale ploeg, zoals ze haar rol als speelster op positie 5 noemt. „Iemand die de vuile werkjes opknapt, de gaten dicht zwemt, de tegenaanval opvangt.” Scoren doet ze niet veel. „Nee, ik probeer wel eens een één-nulletje te maken, maar wij hebben heel goeie schutters. Ieder zijn taak.”

Dat ze die aankon bewees ze na ‘Sydney’. Ze nam ontslag bij de leasemaatschappij en tekende met international Daniëlle de Bruijn een profcontract bij Athlon ’90 in Palermo, een club uit de Italiaanse Serie A. „Het was geen vetpot, maar het leven op Sicilië is goed. We trainden twee keer per dag, speelden in het hele land. Naar uitwedstrijden gingen we met het vliegtuig. Ik had het er heel erg naar mijn zin.”

En ze leerde er haar vriend kennen. Eind 2005 werd hun zoontje Luca geboren, waarna ze afscheid moest nemen van de Nederlandse ploeg. „Ik was er ook klaar mee. We hadden ons niet gekwalificeerd voor de Spelen van Athene, er waren een paar teleurstellingen geweest.”

Ze bleef op Sicilië. Totdat de Nederlandse ploeg een jaar later opdook in Zuid-Italië, voor een wedstrijd in de World League. Met man en kind trok ze naar Cosenza. „Het begon meteen te kriebelen. Ik was stiekem al wat gaan trainen. Toen dacht ik: ik wil nog één keer naar de Spelen.”

Bondscoach Robin van Galen haalde de verloren routinier dankbaar binnen. De vraag was alleen hoe een moeder met een kind, wonend op Sicilië, fulltime kon waterpoloën in Zeist. Begin 2007 nam ze de sprong. Ze vestigde zich met haar zoontje bij haar ouders in Boskoop en sloot zich aan bij de selectie. Zonder haar ouders had het nooit gekund, beseft ze. „Zij vangen Luca op. Hij gaat heel makkelijk met opa en oma mee. Dat is heel belangrijk. Je moet niet elke keer een huilend kind achterlaten.” Met telefoon en webcam onderhoudt ze contact als ze op reis is. „Dan zwaai ik naar hem, en we kletsen een beetje, maar dat verveelt hem gauw, hoor. Hij beseft het allemaal nog niet zo goed. Met een kind van twee kan dit nog. Als ze iets ouder zijn, wordt het waarschijnlijk moeilijker.”

In Peking is de voltallige ‘begeleidingsploeg’ van Van den Berg aanwezig, inclusief Luca. Misschien is hij getuige van iets moois. De vernieuwde ploeg van Van Galen hervond vorig jaar de aansluiting met de wereldtop met een klinkende zege in het olympisch kwalificatietoernooi na een finale tegen wereldkampioen Rusland. „Daar hebben we laten zien dat we weer bij de top horen. Dat heeft ons heel erg goed gedaan. We zijn goed genoeg om in de medailles te vallen. Maar de verschillen in de top zijn heel klein. We leggen onszelf geen druk op.”