Met Selinger verdwijnt de olympische ambitie

Bondscoach Avital Selinger heeft zich met het Nederlandse vrouwenvolleybalteam niet geplaatst voor de Olympische Spelen van Peking. Pijnlijk, omdat de internationals zich voor dat doel twee jaar hadden verenigd bij de Amstelveense club Martinus, die ook onder leiding stond van Selinger. Desondanks staat zijn vakmanschap niet ter discussie. Hij verstaat de kunst van een modaal volleybalteam een topploeg te maken. Nederland won vorig jaar bijvoorbeeld de prestigieuze World Grand Prix.

Trainers van het kaliber Selinger zijn schaars. Dan verwacht je dat de volleybalbond (NeVoBo) alles in het werk zal stellen die man voor het Nederlandse volleybal te behouden. En dat de clubs uit de A-League de bond in dat streven steunen. Maar Selinger heeft vorige week de onderhandelingen over contractverlenging gestaakt en stopt na deze zomer als bondscoach, volgens een verklaring van de NeVoBo „wegens een verschil van inzicht over invulling van het bondscoachschap”.

Die uitleg is een eufemisme voor uitholling van Selingers bevoegdheden. De clubs hebben een veto uitgesproken over de dubbelfunctie van club- en bondscoach. Tot woede van Selinger, die vindt dat mede aan die constructie het hoge niveau van de Nederlandse volleybalsters te danken is. Volgens de Selinger-doctrine is aansluiting bij de wereldtop pas realiseerbaar als internationals dagelijks met elkaar trainen.

Begrijpelijk dat de clubs niet blij zijn met de dominantie van één team, maar ze vergeten dat alleen op die manier olympische ambities gekoesterd mogen worden. Van de Nederlandse Mickey Mouse-competitie moeten internationals het niet hebben. Selinger wilde blijven als hij continue over clubspeelsters kan beschikken voor centrale trainingen. Die garanties kreeg hij niet. Verwonderlijk dat de NeVoBo en de clubs ondanks de successen van de nationale teams nog steeds geen kaas van topsport hebben gegeten.

Henk Stouwdam

    • Henk Stouwdam