Hoe ver weg ligt Staphorst eigenlijk?

’t Is toch een beetje alsof iemand de stop uit het bad heeft getrokken. En daar zitten we nu, koud schuim nog op het lijf, de herinnering aan de zaligheid nog vers, maar intussen wel behoorlijk afgekoeld. Niks geen zege voor Oranje, niks geen ‘clockwork orange’. Commentator Jeroen Grüter sprak de toverformule nog een paar keer uit aan het eind van de wedstrijd tegen de Russen, toen al duidelijk was dat deze zogenaamde machine gedemonteerd zou worden. Je zag het eigenlijk al meteen, dat het niets zou worden. Moeten ze het volkslied ook maar zingen en het niet ‘intern mee neuriën’ of wat sommige spelers ook precies beweren dat ze doen. Niet dat dat geholpen zou hebben, want de Russen waren, zo zei de commentator terecht, ‘beweeglijk’ en ‘slim’.

Een voetbalwedstrijd op de televisie heeft het grote voordeel dat er commentaar bij zit en dat je van alles ziet. Russische supporters bijvoorbeeld die en masse hun shirts uittrekken om vieze blote torso’s te vertonen – getsie. Ineens leken de beteuterde, knaloranje geverfde Nederlandse supporters aandoenlijk, in plaats van kinderachtig en smakeloos. Maar overwinnaars zijn misschien altijd minder sympathiek dan verliezers – een strak gezichtje onder een knaloranje pruik vertedert, maar iemand die gillend en toeterend rondhost in zijn oranje plunje wil je liever niet als medeburger erkennen. Waarmee je dat wel doet, zoals J.L. Heldring laatst slim schreef, want beleden afkeer en afstand van de ‘eigen’ fans betekent toch dat je ze als ‘eigen’ erkent. Anders kan het je namelijk niets schelen. En ’t is waar, die Russische spekkies, daar schaam je je niet voor. Ze doen maar.

Johan Cruijff zei van de weeromstuit ook alleen maar juiste dingen over het tekortschietende spel van Nederland en het succes van Guus Hiddink. Want dat was wel interessant, bij deze wedstrijd werd de trainer minstens zo veel zo niet vaker genoemd dan de ploeg. Won Oranje eerder van ‘de Italianen’ en ‘de Fransen’ nu heeft het verloren van ‘Hiddink’. Het voelt blijkbaar heel anders als een landgenoot de vijand traint en onoverwinnelijk maakt. Het maakte Hiddink ook in Nederlandse ogen duidelijk Heel Groot. „Ten eerste gefeliciteerd, maar dat weet je wel”, zei Cruijff.

Is er nog leven op de televisie nu de oranjesaus is weggespoeld, dat hele Studio Sportzomer zijn zin en betekenis verloren heeft en herhalingen welig tieren?

Zondagavond hadden we gelukkig nog het allerlaatste stukje Holland Festival, met Twan Huys die wel elke avond drie keer op de televisie geweest lijkt te zijn de laatste maanden. Hoe onvermoeibaar is die man? Geweldige werkkracht, zij het niet steeds even goed ín zijn gesprekken. Ook bij de grote interviews die hij doet in de Nova College tour oogt hij vaak afwezig, kijkt veel naar zijn blaadjes en luistert niet aldoor even goed naar zijn gesprekspartners, op weg als hij is naar de volgende vraag. Dat kan – ja sorry, we willen de mensen niet tegen elkaar ophitsen maar het moet gezegd – Clairy Polak veel beter.

Na het gesprekje met Huys werd een Argentijnse Marcus Passie uitgezonden, van componist Osvaldo Golijov, rechtstreeks van de slotavond van het Holland Festival. Interessant om te merken hoe die bekende teksten heel ver van je af komen te staan als ze op totaal andere muziek zijn gezet dan de vertrouwde Europese passiemuziek, en hoe ze dan over de godsdienstige gewoonten van een vreemde stam lijken te gaan die ritmisch gilt: „Ik loof de Heer, zijn liefde is voor eeuwig”. Alleen de solopartijen, vooral die waarin tekst van Jezus door vrouwen gezongen werd, waren aangrijpend.

Minstens zo mooi, zij het totaal anders, was de documentaire over andere vreemde godsdienstige gewoonten, namelijk die van Staphorst: Staphorst in tegenlicht door Emile en Maarten van Rouveroy van Nieuwaal. Hopelijk herhalen ze die nog eens een paar keer deze zomer, gewoon of digitaal. Die kóppen, met bijkans gevlochten gereformeerd mannenhaar. En die táál: „In de hél, jongens en meisjes, dáár wordt alleen maar gevloekt. Zul je ’t hier niet doen? Ach ik smeek je, jongens en meisjes, zul je ’t hier niet doen?”