Glorie zij God voor bontigheid

In een andere taal kunnen dingen uitgedrukt worden of een gevoelswaarde krijgen die ze in de vertrouwde alledaagse bewoordingen niet (meer) hebben. Tijdens de studie leerden we bij het vak taalbeheersing, als een geloofsartikel bijna, dat alle talen in staat waren alles uit te drukken en dat er geen rijkere of minder rijk, poëtische of minder poëtische talen bestonden. Gelijkheid of op zijn minst gelijkwaardigheid was een belangrijk emancipatorisch punt, we zouden ook nooit meer op een taal neerkijken omdat die bijvoorbeeld een dubbele ontkenning gebruikte („he ain’t got nothing”), meervouden verving door enkelvouden enz. en evenmin mochten we een taal hoger aanslaan omdat die, bijvoorbeeld, de mogelijkheid bood een onderscheid te maken tussen ‘u’ en ‘jij’ of door verschillende bewoordingen onderscheid wist te maken tussen verschillende soorten liefde waar wij met omschrijvingen moesten werken.

Wetenschappelijk gezien is dat natuurlijk juist, daar gaat het niet om oordelen immers maar om beschrijvingen, maar voor de ervaring ligt het anders. De vreugde die het kan geven om het Griekse woord voor ‘eenzaam gelegen kerk’ uit te spreken (één woord!), het gemak, want de ongegeneerdheid, waarmee je soms in een vreemde taal een woord gebruikt – ‘tendresse’ of ‘tenderness’ kun je zeggen, maar wie durft het zo maar over ‘tederheid’ te hebben? – die maken dat het gebruik van een andere taal soms als een rijkdom voelt.

Als een verarming natuurlijk ook, de woorden of woordcombinaties die in het Nederlands zoveel betekenis met zich meeslepen kun je in een andere taal maar moeilijk vinden. Waarmee ook de diepte van de ervaring, de rijkdom, de gelaagdheid verdwenen is.

Soms lijkt het niet zo’n slecht idee om uitingsvormen als kunst of religie ook als talen te beschouwen. Talen waarin je sommige dingen kunt uitdrukken die zich niet maar zo laten vertalen naar de huis-, tuin- en keukentaal van alledag. En net zoals je een gewone taal moet leren, zo heb je ook kennis nodig voor de taal van de religie of de kunst, anders versta je eenvoudigweg niet wat er gezegd wordt. Kees Fens benadrukte dat nog eens in het laatste interview dat met hem verscheen, gemaakt dor Hans Maarten van den Brink en Rachel Visscher dat zowel in Trouw als in het laatste nummer van De Gids verscheen: „Als je naar de Mattheüspassion gaat of naar de Maria Vespers van Monteverdi luistert, dan moet je daar iets van wéten”. Het is een mededeling die mensen vaak ergert, en het is natuurlijk ook niet verboden om zo maar van alles te ondergaan. Maar je hoort of ziet meer met meer kennis en sommige kunst leent zich helemaal niet voor onvoorbereide beschouwing zonder dat dat tegen haar pleit.

Fens was zelf natuurlijk een schitterend voorbeeld van iemand die steeds de moeite nam om zich te verdiepen, om kennis te verwerven, en om die aan ons, minder ijverige lezers, door te geven, waardoor ook wij soms leerden iets van die andere talen te verstaan.

Tijdens zijn uitvaartmis afgelopen vrijdag viel nog weer eens duidelijk te ondergaan hoezeer religie een taal is. Er kunnen, dankzij het ritueel, de traditie en de leer, dingen gezegd worden die buiten de viering niet gezegd en dus ook niet nagevoeld kunnen worden – neem alleen al dat woord ‘viering’. Je kunt gemakkelijk tegenwerpen: „Wat nu ‘viering’, er is iemand dood!” Maar binnen het geheel geeft het een merkwaardige, weerbarstige troost. Zo ook het uitspreken van woorden als: „Wij danken God”. Woorden, denk ik weleens, die je niet vaak genoeg zou kunnen uitspreken, zij het dat ze alleen maar betekenisvol kunnen zijn binnen dit verband. Daarom heeft het zin om dat verband soms op te zoeken.

Vlak voor de kist de kerk verliet werd die dank nog eens herhaald in andere bewoordingen, die van de door Fens grotelijks bewonderde dichter Gerald Manley Hopkins. Zijn gedicht ‘Pied Beauty’, gevlekte pracht, werd voorgedragen in een heel mooie vertaling van Leo Vroman: „Glorie zij God voor bontigheid”.

Fens heeft zelf in zijn bundel Leermeesters drie stukken over Hopkins opgenomen, en in één daarvan citeert hij ook deze lof der gespikkeldheid, waarin allerlei gevlekts en gespikkelds wordt opgesomd: „bloemsproetjes uitgestippeld op vlugge forellen”, en hij legt uit hoe belangrijk voor Hopkins het beeld was van een wereld die uit zoveel verschillende dingen bestaat en daardóór een eenheid vormt: „God schept niet een geheel met fraaie delen erin, hij schept slechts voortdurend de dingen afzonderlijk, en de schoonheid ontstaat door het contrast dat zij met elkaar vormen”.

Zinloos is het om dan tegen te werpen: God schept niets, er is geen God of iets dergelijks, daarmee wordt een wereld van ervaring, en vooral een taal waarin die ervaring wordt uitgedrukt, weggevaagd. Het is niet nodig om de visie van Hopkins te delen, wel om hem te kénnen teneinde het gedicht ‘in al zijn volheid te kunnen verstaan’, zoals ze dat in de kerk zeggen. En daardoor valt dan ook ineens te begrijpen dat dankzegging en lofprijzing hun plaats niet alleen kunnen maar móeten hebben, ook, juist, als er iemand verdwijnt, vanwege „alle dingen die hun eenheid vinden in hun tegenstellingen tot elkaar, wat ook hun schoonheid uitmaakt” .

Nu Kees Fens er niet meer is, zal er meer kunst zijn, meer traditie, die niet meer in al zijn volheid verstaan kan worden. Hij was zelf, al zag hij dat geloof ik niet zo, een leermeester. Een native speaker van uitstervende talen.

Reageren kan op nrc.nl/vos (Reacties worden openbaar na goedkeuring door de redactie.)