Dapper Spanje verslaat Italië

Niet de Italiaanse doelman Buffon, maar de Spaanse keeper Cassilas werd de held.

Donderdag speelt Spanje in de halve finale tegen Rusland.

De Italiaanse doelman Buffon stompt de bal weg terwijl teamgenoot Panucci de Spaanse aanvaller Torres op de grond houdt. Foto AP From left, Italy's Gianluigi Buffon, Italy's Christian Panucci, Spain's Fernando Torres, Italy's Giorgio Chiellini and Spain's Sergio Ramos go for the ball during the quarterfinal match between Spain and Italy in Vienna, Austria, Sunday, June 22, 2008, at the Euro 2008 European Soccer Championships in Austria and Switzerland. (AP Photo/Frank Augstein) Associated Press

Spanje is de vierde ploeg die zich heeft geplaatst voor de halve finale van het Europees kampioenschap. De Spanjaarden bereikten de laatste vier na het nemen van strafschoppen die noodzakelijk waren na een doelpuntloze wedstrijd en een doelpuntloze verlenging.

Cesc Fabregas benutte de beslissende strafschop nadat voor de Italianen De Rossi en Di Natale hadden gemist. Ook de Spanjaard Güiza miste, maar Fabregas, middenvelder bij Arsenal, hield het hoofd koel en passeerde de Italiaanse doelman Buffon beheerst. Spanje speelt nu donderdag in de halve finale tegen Rusland.

Zonder de altijd agressieve Gennaro Gattuso en de altijd aanspeelbare regisseur Andrea Pirlo moest Italië in de kwartfinale van dit toernooi Spanje van zich afhouden. Wat moesten de Italianen dus anders dan verdedigen tegen de Spanjaarden, die voor het eerst sinds jaren in staat leken een titel te veroveren en vol vertrouwen speelden? Verdedigen en hopen dat de eenzame spits Luca Toni eindelijk geluk zou hebben.

Slechts één keer werd Spanje Europees kampioen, in 1964. Wel erg weinig voor een grootmacht. Spanje heeft immers een van de sterkste competities van Europa. Met altijd machtige clubs, altijd prachtige voetballers en altijd gerenommeerde trainers. Maar te weinig heeft dat kunnen leiden tot titels voor de nationale ploeg. Doorgaans was de mengeling van Catalanen, Madrilenen en Basken fnuikend. De verschillen in afkomst leidden tot verwarring van spraak en opvatting. Welke coaches ook aan het bewind stonden.

Ook Italië was zelden gelukkig op een Europees kampioenschap. Alleen in 1968 werden de azzurri kampioen. Maar daar staat tegenover dat de Italianen viermaal wereldkampioen werden. Het Europees kampioenschap is vaak meer dan het wereldkampioenschap het toernooi van de verrassingen. Alleen Duitsland was meer dan één keer kampioen, in 1972, 1980 en in 1996. Zelfs landen als Denemarken (1992) en Griekenland (2004) veroverden de Europese titel.

Hoe spannend het ook was in Wenen, van geen van de twee ploegen kon op basis van het vertoonde spel worden geconcludeerd dat hier de toekomstige kampioen aan het werk was. Het past een beetje in de strategie die ware grootmachten tentoonspreiden in beslissende wedstrijden. Energie sparen, voorzichtig aanvallen en pas toeslaan als het moet. Het is wat Spaanse en Nederlandse ploegen vaak missen. Niet uitgekookt, te gauw denken dat ze er al zijn. Geen realisme, zoals Italianen dat koesteren. Mooi voetbal? Hoezo? Winnen, daar gaat het om.

Het Spaanse team van coach Luis Aragones bulkt van jong talent. David Villa, David Silva, Fernando Torres, Andres Iniesta en Cesc Fabregas. Aanvallende middenvelders en aanvallers. Een Europees kampioenschap waardig. Maar ja, speel tegen Italianen en al het aanwezige talent wordt in de kiem gesmoord. Geen Gattuso, geen Pirlo, geen Cannavaro, geen Totti. Geen Totti? Ja, wat als deze markante Romeinse aanvaller niet aan de vooravond van het EK geblesseerd was geraakt? Dan had Luca Toni misschien wél kunnen schitteren.

In de eerste helft leek het er nog op dat Spanje snel de Italianen zou overrompelen. Maar zo gaat het altijd tegen Italianen. Ze wankelen, blijven als door een wonder overeind en de doelman schittert, in dit geval de geweldige Gianluca Buffon. Verdedigen kunnen ze als weinig anderen, dat is waar. Maar als één voetbalnatie geluk kan afdwingen is het wel Italië.

In de tweede helft hetzelfde beeld. Spanje wilde zeker winnen, omdat het niet anders kan. Italië hoefde niet, omdat het nooit hoeft. En zo wachtte iedereen op een doelpunt. Wie de goal zou maken, deed er niet toe. Als de wedstrijd maar zou ontbranden in de titanenstrijd zoals het was geafficheerd. Kansjes van Villa voor Spanje en van Toni voor Italië. Maar geen treffer. De verdedigers waren de baas over de aanvallers. Het was wachten op een verlenging, sterker nog: op strafschoppen. Alsof Italië en zijn coach Roberto Donadoni vanaf het begin daarop aanstuurden. Werd Italië niet in de finale van 2006 wereldkampioen na strafschoppen?

Het enige foutje van geweldenaar Buffon zorgde nog voor enige opwinding. Maar de bal rolde uit zijn handen tegen de paal. Dit was niet de Latijnse clash, niet het duel waar de liefhebber zich op had verheugd. Echte grootmachten hebben nu eenmaal te veel respect voor elkaar. Donderdag mag Spanje tegen Rusland spelen. De Russen voelen zich sterk door de magistrale triomf op Nederland. Maar Spanje is sterk en geroutineerd.