Beeldtaal

Als een schaatser minder hard schaatst dan het publiek van tevoren had gedacht of als een zwemmer minder hard zwemt dan door de deskundigen was voorspeld, krijg je dan op televisie beelden te zien van diep teleurgestelde fans op de tribune? Of als het Nederlands hockeyteam een paar keer bíjna scoort, maar net niet helemaal, krijg je dan telkens in slow motion beelden te zien van een coach die naar zijn hoofd grijpt?

Ik kijk niet zo vaak naar sport op televisie, maar bij mijn weten luidt het antwoord: nee, die beelden krijgen wij alleen te zien bij voetbal. De registratie van voetbal kent een vast patroon en daarbij speelt lichaamstaal een belangrijke rol. Dat begint al bij de eerste beelden op het veld: een rij voetballers die een beetje van onderen wordt gefilmd terwijl het volkslied klinkt. Slechts een enkeling zingt een regeltje mee, de rest kijkt gespannen voor zich uit. Gespannen en verwachtingsvol.

Kunnen we dat écht van hun gezichten aflezen, die verwachtingsvolle spanning, of is dat slechts inbeelding? Eigenlijk zou je een paar voetbalwedstrijden zonder geluid moeten bekijken om de beeldtaal beter te kunnen analyseren. Samen met de lichaamstaal van het publiek – dat vaker dan bij andere sporten close-up in beeld wordt gebracht.

Waar zie je ooit zulk massaal vertoon van verslagenheid als na een onverwacht verloren voetbalwedstrijd? Nee, het begint eigenlijk al eerder. De wedstrijd verloopt moeizaam. In het veld zien we onze jongens zwoegen. Er ontstaan ergernissen tussen de spelers. We zien een keeper die woedend is op zijn verdedigers. We zien hem iets roepen, we verstaan hem niet (het zou interessant zijn om alle spelers met een microfoontje uit te rusten), maar uit de lichaamstaal is volkomen duidelijk wat er gebeurt. Kwade blik, grote boze gebaren – een agressieve manier van lopen.

Bij het publiek stijgt de onrust. Ook de kroonprins en zijn vrouw zitten op de tribune, maar kennelijk bestaat er een afspraak met de Rijksvoorlichtingsdienst dat zij alleen op blije of neutrale momenten mogen worden gefilmd. De stijgende onrust krijgen we dus te zien op het gezicht van ‘gewone’ mensen: rijen fans, van dichtbij in beeld gebracht, met strakke, gespannen gezichten.

In het dagelijks leven zien we ook weleens gezichten waar de spanning vanaf straalt, maar nooit zo veel tegelijk en nooit op deze manier uitvergroot. Bovendien is het contrast nu extra groot: onder een oranje feestpruik verwacht je een blij gezicht, niet de smoel van een beursspeculant die de koersen ziet kelderen. Brulshirts, trom-petten, op de wangen geschminkte Nederlandse vlaggen – opeens lijken ze volkomen misplaatst.

Gespannenheid kan omslaan in enorme vreugde als er eindelijk toch wordt gescoord. Juichende coaches, voetballers die elkaar in de armen vliegen, het publiek dat omhoog veert en zich ontlaadt – het zijn rituelen die volgens vaste patronen in beeld worden gebracht. Net als de diepe verslagenheid als de wedstrijd uiteindelijk toch wordt verloren. We zien geen verslagen kroonprins of prinses of andere hoogwaardigheidsbekleders, maar een halfleeg vak op de tribune, met gebogen, diep teleurgestelde fans.

Voetbal kent zijn eigen taal, niet alleen in woorden, maar ook in beelden.

Ewoud Sanders

Reacties naar sanders@nrc.nl of via www.nrc.nl/woordhoek