‘A l’exterieur’ toont de kunst van het flaneren

Tentoonstelling À l’exterieur: Rites de Passage, t/m 13 juli in Marres, Capucijnerstraat 98, Maastricht. Wo-zo 12-17u. Inl.: 043 3270207 / www.marres.org

„In een stad de weg niet kunnen vinden zegt niet veel. Maar in een stad verdwalen zoals je in een bos verdwaalt, daar is scholing voor nodig.” Aldus filosoof Walter Benjamin, een van de bekendste flaneurs van de vorige eeuw. Er is nog een andere Duitser, Franz Hessel, die beschreef hoe moeilijk het is om te flaneren. Het is een kunst waarbij je jezelf moet laten gaan, waarbij je van de ene op de andere voet valt, een vorm van overmoed. Al dwalend bepaal je zelf waar je loopt, geen stadsfolder wijst je de weg, en alleen zo ben je de baas over de stad waar je woont.

Natuurlijk kun je ook gewoon met een ijsje door de koopgoot sjokken. Dat telt ook. Sterker nog, flaneren werd uitgevonden in de negentiende eeuw, toen de eerste winkels ontstonden. Alleen had winkelen in die dagen nog een paarlemoeren glans. Modezaken met grote jugendstiletalages – Johan Gram schreef in 1893 hoe de Haagse Spuistraat ’s avonds veranderde in een balzaal, als honderden gaspitten de fonkelende spiegelpaleizen verlichtten. Het personage Nana van Emile Zola kon zich in de Parijse winkelpassages niet losrukken van de etalages met hebbedingen.

Voor een tentoonstelling over flaneren liet Marres teksten van schrijvers uit de afgelopen twee eeuwen inspreken. Ze zijn ingedeeld in vijf wereldsteden. De teksten zijn te horen in de tentoonstellingsruimte waar kunstenaars Michiel Kluiters en André van Bergen ‘allees’ van hout bouwden. Deze wandelgangen binnenin het pand sluiten de stad buiten. Zo wijzen ze je erop dat flaneren ook in je hoofd plaatsvindt: al lopend denk je na over jezelf en de wereld. Zo nemen je gedachten vanzelf een hoge vlucht.

Marres, het Maastrichtse Centrum voor contemporaine cultuur, begon twee jaar geleden met een serie tentoonstellingen over negentiende-eeuwse figuren die nog steeds een belangrijke plaats innemen in het leven: de dandy, de dilettant en nu als laatste de flaneur. Even was er sprake van dat Marres zou moeten verhuizen van het centrum van Maastricht, vlakbij het Vrijthof, naar het nieuwe culturele centrum in de Enci-fabriek verderop aan de Maas. Maar dat plan is van de baan. Misschien heeft het tentoonstellingsprogramma geholpen. In een cementfabriek flaneer je niet. Het romantische programma van Marres past juist bij het rijke Limburgse leven in het centrum van de stad. Waar dames nog bont dragen en bij de lunch grote glazen wijn geserveerd worden. En waar een steeg nog ‘allee’ heet.

Flaneren kreeg vanaf het Interbellum activistische trekjes. De romantiek van de stadswandeling zou in de onstuimig groeiende stad, een moderniseringsmachine, plaatsmaken voor bittere ernst. Intellectuelen waarschuwden dat de mens gereduceerd zou worden tot een radertje in deze machine. Flaneren, het je toe-eigenen van de omgeving, gaf je de mogelijkheid om als individu in de massa te overleven.

Die stad waar je als individu verloren raakt, is in Marres uitstekend verbeeld op de bovenverdieping. Een wenteltrap, ook een soort allee, mondt uit in een nauwe gang vol anonieme deuren. Achter die deuren staan smalle bedden met elk een televisie aan het voeteneind. Ze tonen acteurs die door Montmartre kuieren óf arbeiders die samenscholen voor de fabriek. Twee keer mensen op straat: de ene keer als flaneur, de andere keer anoniem in de massa.

Het is een boeiende en actuele tentoonstelling. Je kunt tegenwoordig geen stadsfolder openslaan of je wordt aangemoedigd om ergens te flaneren – twee jaar geleden heette dat nog funshoppen. Leiden deze voorgeschreven routes tot ontdekkingen of tot geestdodend gesjok? De kale ‘allees’ van Marres herinneren ons er in ieder geval aan dat flaneren ook in je hoofd plaatsvindt. Daar hoor je alleen je eigen voetstappen, de stad verdwijnt achter de horizon, en je gedachten reizen af naar waar je maar wilt.