Wachten op een telefoontje van de FARC

De laatste tien jaar werden 21.000 Colombianen ont-voerd. Hoewel het aantal ontvoeringen afneemt, ver-dwijnen nog bijna dagelijks mensen. Achterblijvende familieleden zijn wanhopig.

Bijna dagelijks ziet Gladys Granados (56) haar zoon Oscar wel lopen in de straten van Bogotá. Telkens weer verdwijnt hij echter uit zicht. Was hij het nu wel, of ziet Oscar er toch anders uit? Tranen zwellen kortstondig op in de ogen van Granados als zij vertelt over haar zoon. Oscar was 23 jaar toen hij bijna tien jaar geleden werd ontvoerd.

Oscar Granados deed op 5 september 1998 iets dat veel Colombianen doen, hij ging naar een speciale plek, buiten Bogotá, om te bidden tot de heilige maagd. Samen met zijn vriendin was hij naar zijn bestemming gereden. Op het moment dat ze uitstapten, stonden er meteen drie jongemannen in burgerkleding naast de auto. De mannen zeiden: dit is een ontvoering.

Met zijn allen stapten ze in de auto. Voordat ze de regio rond Bogotá uitreden, lieten de ontvoerders de vriendin gaan. Zij kreeg de boodschap mee dat deze kidnapping een waarschuwing was aan de regering. De drie jongemannen waren lid van de guerrillabeweging FARC, de Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia.

Zo werd Granados, een student sociale wetenschappen, van de ene op de andere dag een van de vele duizenden anonieme ontvoerde mensen in Colombia. In totaal zijn er zo’n 21.000 mensen, onder wie ook minderjarigen, sinds 1998 gekidnapt in het Zuid-Amerikaanse land. Van hen zijn er ruim 1.100 in gevangenschap overleden, terwijl er momenteel nog zo’n 2.500 mensen vastzitten, zo blijkt uit gegevens van País Libre, een organisatie die zorg biedt aan families van gekidnapte mensen.

Tal van groepen zijn voor deze praktijk verantwoordelijk, van criminele bendes tot guerrillabewegingen als de FARC en ELN (Nationale Bevrijdingsleger) en afsplitsingen van gedemobiliseerde paramilitaire organisaties als de Verenigde Zelfverdedigingsgroepen van Colombia (AUC). De motieven lopen uiteen: afpersing, politieke redenen, gevangenenruil, geld.

De FARC, zo blijkt uit statistieken, is verantwoordelijk voor de meeste ontvoeringen: ruim 6.000 in tien jaar. Analisten schatten dat de groep nog grofweg 700 mensen in gevangenschap houdt. De overgrote meerderheid bestaat uit gewone burgers en militairen, die al jarenlang vastzitten.

Volgens psychologe Marcela Castro, die dagelijks met familieleden van ontvoerde mensen werkt, hebben de talrijke ontvoeringen diepe sporen achtergelaten in de maatschappij. Zij zegt: „Het heeft vele levens ontwricht. Het is moeilijk voor de achterblijvers.”

Wat meestal gebeurt, is dat de achterblijvende familieleden enige tijd in een shocktoestand verkeren na het bekend worden van een ontvoering. Daarna volgt vaak een fase die wordt gekenmerkt door een groot wantrouwen ten opzichte van de buitenwereld. Castro zegt: „De getroffen families vragen zich bijvoorbeeld af of de buren de kidnappers informatie hebben gegeven; ze vertonen licht paranoïde gedrag.”

Hoewel kidnappings in Colombia regelmatig internationale aandacht krijgen, richten de belangstelling en de inspanningen om iemand vrij te krijgen zich vooral op prominente gevangenen en buitenlandse slachtoffers, van in het bijzonder de FARC.

De voormalige presidentskandidaat Ingrid Betancourt, die ook een Frans paspoort heeft, is daar een goed voorbeeld van. Haar gevangenhouding staat voortdurend in de schijnwerpers, heeft geleid tot protesten en zelfs tot een bemiddelingspoging van de Franse overheid.

Voor gewone Colombianen met gekidnapte familieleden is dat soms pijnlijk. Zo zegt Gladys Granados eigenlijk helemaal geen steun te hebben ontvangen van de Colombiaanse overheid, alsof het bestaan van haar zoon ontkend wordt. Castro: „De overheidshulp is beperkt, slachtoffers voelen zich daardoor vaak alleen en verloren.”

In de eerste week na de ontvoering kreeg Granados een telefoontje van de FARC, die meldde dat er betaald moest worden voor de vrijlating van haar zoon. Maar het telefoontje kreeg geen vervolg. Pogingen van de overheid hem los te krijgen, zijn er niet geweest.

Castro zegt: „Na de fase van wantrouwen en afsluiting begint de tijd van contact zoeken met de kidnappers en met ontvoerde mensen die zijn vrijgelaten.”

Hoe ver sommigen daarbij gaan, vertelt Granados, een keurige directrice van een stichting die drugsverslaafden helpt. In 2002 stapte zij op een dag in een vrachtwagen van een levensmiddelenbedrijf dat zaken deed met de FARC.

Voor de gelegenheid trok zij het uniform van het bedrijf aan. „Ik had dat zo geregeld met mensen van de onderneming, die me wilden helpen.” De leverancier was op weg naar de gedemilitariseerde zone, waarover de guerrillagroep in het kader van de vredesonderhandelingen destijds beschikte.

Zo reed Gladys Granados op een dag een legerplaats binnen van de FARC. Het bleek het kamp te zijn, waar drie leden van het hoogste orgaan van de guerrillagroep aanwezig waren. Dus ontmoette Granados zomaar FARC-oprichter Manuel Marulanda, zijn rechterhand Raúl Reyes, en Simón Trinidad. (De laatste is in 2004 gearresteerd, de andere twee zijn dit jaar overleden.) Het was een riskante actie, die uiteindelijk niet veel opleverde. Ja, haar zoon was nog in leven, maar meer kwam ze niet te weten.

Het zijn meestal de moeders die de zoektocht naar hun kinderen gaande houden en nooit opgeven, constateert psychologe Castro. Een beeld dat ook wordt bevestigd door Granados. Voor haar man en andere zoons is Oscar al dood.

Een ander voorbeeld is Ligia Mahecha (52). Haar zoon Diego werd 22 maanden geleden ontvoerd door de ELN. Thuis is zij degene die de hoop op Diego’s terugkeer levend houdt. Als zij het opgeeft, dan gelooft niemand er meer in, zegt ze.

Diego (33) was buiten Botogá op stap met een vriend, de zoon van een rijke en bekende officier van justitie. Diens zoon was eigenlijk ook het doelwit van de ontvoering. In de contacten met de ELN die volgden, werd Mahecha genegeerd: alles verliep via de familie van de zoon van de magistraat. Die betaalden al veel geld voor informatie, maar hebben daar nog niets voor teruggekregen.

Het enige ‘positieve’ van de link met de officier van justitie is dat de Gaula, een speciale militaire anti-kidnapeenheid, bovenop de zaak zit. Vier keer was die dicht bij bevrijding, maar telkens was de ELN op tijd weg. Ligia Mahecha zegt: „Ze denken nu dat er een verklikker zit in de Gaula. We weten het niet. Ik blijf moed houden en op God vertrouwen. Ik geef mijn zoon nooit op.”