Voor een zinvol publiek debat moet de burger mediawijs zijn

De publieke opinie is een rommeltje geworden van bizarre bestanddelen. Om verwarring te voorkomen moeten mediaorganisaties zich beter onderscheiden naar aard en ernst: triple-A-status geeft verplichtingen. En de burger moet leren kritisch onderscheid te maken tussen de verschillende media.

Ben Knapen

Columnist en oud-hoofdredacteur NRC Handelsblad. Historicus. Lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

Media en publieke opinie: voor de oppervlakkige beschouwer zal het één pot nat zijn, maar het tegendeel is het geval. Afgezien van die vermaledijde hyperventilatie die opiniepeiling heet, is er ook nog zoiets als het verschil tussen publieke opinie en gepubliceerde opinie. Hoe vaak gebeurt het niet dat de maatschappij vanuit de gepubliceerde opinie één groot tranendal is, terwijl de deelnemers aan die maatschappij voor zichzelf tevredenheid en zonneschijn zien? Privaat geluk en publiek ongeluk kunnen hand in hand gaan en het is daarom goed publieke opinie en gepubliceerde opinie enigszins uit elkaar te houden.

Ook gaat het hier niet om alle publieke opinie, maar om opinies die op enigerlei wijze met de publieke zaak te maken hebben. De liefdesperikelen van een soapsterretje zullen er veelal buiten vallen, al heeft het publiek er ongetwijfeld een opinie over. Mijn punt van aandacht betreft media die zich in dienst achten van de publieke zaak, media die er eerder voor burgers dan voor consumenten willen zijn. Het zijn die media waarbij kwaliteit te vangen is met termen als accuratesse, onpartijdigheid, diversiteit van opinies, fairness, redactionele integriteit en onafhankelijkheid.

Media bestaan in wisselwerking: enerzijds weerspiegelen zij wat leeft in de samenleving, anderzijds drukken zij een stempel op die samenleving. Spiegelung und Prägung zoals de Duitsers het noemen. Maar hierbij gelden de nodige relativeringen. Niet alleen omdat media wat leeft in een samenleving regelmatig over het hoofd zien. De opkomst van Pim Fortuyn geldt wat dit betreft in Nederland als een recente cause célèbre van onoplettendheid. Journalistiek ontdekt maatschappelijk-culturele onderstromen „pas als zij een duidelijk zichtbare woordvoerder krijgen, tot openlijk conflict binnen de geïnstitutionaliseerde elite of anderszins tot groot nieuws leiden”, constateerde Wil Tiemeijer in zijn veel geprezen dissertatie Het geheim van de burger. Pas dan dringt zo’n onderstroom door tot de collectieve verbeelding.

Maar een tweede relativering geldt ook en die is wezenlijker: de media drukken niet hun eigen stempel op die werkelijkheid, maar het stempel van de heersende opvattingen. Media hebben doorgaans zelf de kennis, wijsheid en soevereiniteit niet om een eigen stempel te kunnen drukken. Het zijn maatschappelijke elites, denkers, bestuurders, dominees en wat dies meer zij, die met hun interpretaties van de werkelijkheid het beeld bepalen. Zij leveren de ingrediënten, de stempels, die de media vervolgens verspreiden. Het gebeurt expliciet – via interviews, citaten en wat dies meer zij – maar oneindig veel vaker impliciet.

Nu mag de pers zich graag op de borst kloppen dat ze juist de elite, de macht, controleert. Dat is ook zo. Ze doet dat onder meer aan de hand van onthullingen. Die baren opzien, soms meer soms minder. Maar we moeten dat niet overdrijven. Zoals Den Hollander ooit zo fraai in zijn Démasqué van de Samenleving heeft beschreven, gaat het meestal om onthullingen die het verschil tussen schijn en de al dan niet stilzwijgend afgesproken definitie van de werkelijkheid aan de kaak stellen. De gangbare visies op de werkelijkheid en op de wereld zijn dus leidend en die gangbare visies worden niet door de media zelf bepaald.

Een aardige illustratie biedt een artikelenreeks in deze krant over een thema dat decennialang prominent de gemoederen bezighield: de WAO. Midden jaren tachtig van de vorige eeuw publiceerde de krant een tamelijk droog, feitelijk relaas in drie afleveringen. Het stond er niet met zoveel woorden, maar wat je las was dat mensen in de WAO bepaald niet allemaal zo zielig waren, dat ze het vaak redelijk goed hadden en dat ze vaak niet zo heel arbeidsongeschikt waren. Het effect van die ‘onthullingen’ was nihil.

Een jaar of tien later deden enkele collega’s ter redactie nog een keer hetzelfde: weer zo’n serie over de alledaagse werkelijkheid van WAO’ers, met zieken, invaliden, pechvogels, trieste gevallen, zeurkousen, vrolijke mensen en met profiteurs. En toen: het land was te klein – de toenmalige premier verklaarde zelfs heel Nederland ziek, de Kamer nam een heerlijk bad in het dampende ongenoegen en geëist werd actie, harde actie.

In beide gevallen was van onthullingen met allerlei geheimzinnigheid en sensatie geen sprake. Beschreven werd wat de meeste mensen onder elkaar wel wisten, van de buren, uit de familie. In de eerste WAO-onthulling bleven het feiten, in de herhaling tien jaar later voegde iemand of iets er betekenis aan toe. Feiten alleen zijn als een zak – die blijft niet staan als niemand er een betekenis aan toevoegt, zo zegt een van de figuren uit Pirandello’s Zes personages op zoek naar een auteur. In de tweede WAO-ronde voegde de spraakmakende gemeente het ingrediënt betekenis toe aan die zak vol feiten.

Echter, de spraakmakende gemeente, elites en hun instituties zijn op hun retour. En het is mijn stellige overtuiging dat dit serieuze consequenties heeft voor maatschappelijk verantwoorde media.

Hoe staat het nu met de publieke opinie en de media in dit tijdperk van marketing en geweken elites? Je kunt zeggen dat media niet langer schatplichtig zijn aan een bepaalde partijpolitieke of religieuze zaak. Maar waaraan zijn ze dan wel schatplichtig?

Aan de kijkcijfers, aan de oplages, aan het bereik, zo wordt vaak gezegd. Dat is niet helemaal onjuist. Maar het is een onbevredigend antwoord, omdat het zoveel subtieler ligt. Oplages, kijkcijfers doen ertoe en mediamensen besteden veel aandacht aan wervende vormen: een pakkende kop, een swingende trailer. Maar schrijvers en filmers willen toch bovenal zelf gehoord worden, gelezen, gezien.

Zijn media schatplichtig aan commercie? Dat is zeker het geval bij veel media die niet door de overheid worden gesubsidieerd. Er moet immers brood op de plank. Maar ook hier geldt dat het ingewikkelder ligt. Media die zich niet steeds door commercie laten leiden, doen het commercieel soms goed. Ten eerste willen gebruikers wel extra betalen voor onafhankelijkheid en kwaliteit, en ten tweede boren redacteuren al doende vaak doelgroepen aan die voor een adverteerder interessant zijn. Televisiemakers en schrijvende journalisten, zo is mijn ervaring, staan bijna nooit stil bij wat adverteerders willen. Niet eens zozeer omdat ze er een afkeer van zouden hebben, die mode is al lang voorbij, maar omdat de preoccupatie geheel en al het eigen werk betreft.

Commercie is dus een te beperkt antwoord op de vraag waardoor media zich laten leiden.

Een ander gangbaar antwoord luidt dat ze schatplichtig zijn geworden aan hun eigen beroepscode, aan professionaliteit. Zo is het ook – althans ten dele. Ze zijn geprofessionaliseerd. Er zijn serieuze opleidingen gekomen, voor zover journalistiek zich althans daartoe leent. En belangrijker misschien nog: kranten, elektronische mediaorganisaties en programmaredacties hebben redactiestatuten ontwikkeld en verfijnd. Ze hebben vaak uitgangspunten, beginselen geformuleerd en herijkt. Ze hebben de laatste twintig jaar geschaafd aan gedragscodes. Bij afwezigheid van andere maatschappelijke instituties die meekijken, zijn media wat dit betreft op zichzelf, op hun professie, aangewezen geraakt. Daar is het vaak beter van geworden.

Althans voor sommige media. Maar er is ook een enorme verwarring gekomen. De sector is een vergaarbak en het begrip media is eigenlijk een onhanteerbaar containerbegrip geworden: roddelbladen, kookprogramma’s, sponsored magazines, LINDA., zg. kwaliteitskranten, gratis knipselkrantjes, praatprogramma’s, scheldprogramma’s en de vrije jongens van de weblogs, YouTube. Het heet allemaal ‘media’, het slingert allemaal beelden en woorden het land in, rijp en groen. Wat doen al die goede bedoelingen van gedragscodes ertoe wanneer een mens elke dag bestookt wordt met een diarree aan nieuws- en opwindingsdingetjes en alles overal, zoals dat zo mooi heet, gaat rondzingen?

Professionaliteit is één antwoord op het vervagen van maatschappelijke, ideologische bakens en van sturende elites. En het is verleidelijk het daarbij te laten, want zo wordt elk medium een instituut in its own right. Het is een verleiding die menig journalist of journalistiek bestuurder ook niet kan weerstaan. Dat is dan ook te mooi om waar te zijn en zo is het ook niet. Want in een elite-zwakke samenleving dolen maatschappelijk verantwoorde media meer dan ze beseffen dan wel kunnen of durven toegeven. Hun kompas als intermediair tussen Spiegelung en Prägung beschikt niet meer over de magnetische velden, over het houvast van heersende visies op de werkelijkheid. Een schrijvend of filmend individu kan de verantwoordelijkheid, de zelfdiscipline, die bij zoveel onafhankelijkheid hoort, soms niet aan. Professionalisme alleen geeft nog geen functionerend kompas.

Daarom is het de hoogste tijd dat media-organisaties zich onderscheiden naar aard en ernst. Wie op de triple- A- status aanspraak wil maken, moet een bepaald type van professionele spelregels in acht nemen en moet zich durven onderwerpen aan het oordeel van een mediaraad, die handen en voeten heeft.

Als er geen elites zijn met daarbij passende én gezaghebbende visies op de werkelijkheid, wat maakt dan publieke opinie? Anything goes?

Illustratief voor de media in een tijd zonder gezaghebbende elites is de manier waarop internet zich manifesteert.

Internet heeft de publieke opinie iets koortsachtigs gegeven, voor wie daar gevoelig voor is althans. Hoeveel sites hebben niet die malle dagelijkse enquêtes die van een grote afkeer van nuance getuigen? U kent ze wel, je kunt aanklikken of je mevrouw a of b de hufter van de dag vindt. Dat soort ‘maatschappelijk debat’.

Om misverstanden te voorkomen: internet is ook een dagelijkse verrijking van het leven, of anders toch zeker van het gemak. Ook in het genre van media die zich bezighouden met de publieke zaak, is dit het geval. Journalistiek en burgerschap kunnen in het internettijdperk op vruchtbare wijze bij elkaar komen, constateert Marc Chavannes plausibel en terecht in zijn vooral op Amerikaanse ervaringen gerichte oratie over iMedia. Maar de omarming van de internetwereld gaat vaak te kritiekloos. Veel internet is niets anders dan dom gedram en digitaal narcisme.

De acceptatie, ja omarming van dit deel van de internetrevolutie is geschied door een coalitie die bestaat uit vulgair-marxisten van het egalitarisme en uit hogepriesters van de vrije markt. Ze hebben elkaar gevonden in een alles-is-gratis, alles-is-van-iedereen cultus en in een orgie van collectief non-conformisme. Internet heeft de publieke ruimte met een saus van hufterigheid overgoten.

Ook de televisie laat dit niet onberoerd. De eindeloos vele televisiestamtafels over publieke zaken leven van de krachtige uitspraken, van grote woorden, van uitvergrote controverses, van naar extremen neigende vertekening van de werkelijkheid.

Een andere trend in deze leegte heet civic journalism. Het is een nobel streven, want het wil de kwaliteit van het publieke leven en het discours verbeteren door vanuit de burger te kijken en te berichten. Onzinnig is het niet om op deze manier betrokkenheid en verantwoordelijkheid te organiseren, maar het is geen panacee tegen alle verwarring. Want uiteindelijk willen al die burgers met hun opvattingen een zekere bedding vinden in maatschappelijke visies die gedeeld worden, en die zich gezaghebbend manifesteren in strijd met andere visies. Als je niet oplet is civic journalism verder dan al gauw een net woord voor in-en-uit-gepraat, beginnend met de drie woorden waar iedere Nederlander graag mee begint, namelijk: ‘Ik vind dat’.

Een paar handreikingen om publieke opinie een context te bieden, zijn er wel. In een samenleving zonder hiërarchische verbanden van dwingende betekenis bieden mediaboodschappen een majeure nieuwe arena voor wat Amerikanen noemen the process of self-fashioning. Ze helpen om de eigen identiteit te definiëren – in politiek, in levensstijl, in kleding, in taalgebruik. Zo vinden sterren en fans elkaar, kandidaten en kiezers.

Naast self-fashioning is er een ander verschijnsel in de publieke opinievorming: de angst voor eenzaamheid, het kudde-instinct. Hoewel al een eeuw oud, hebben de inzichten van de Franse socioloog Emile Durkheim over de gevolgen van het verlies van sociale banden en bindingen, van ontheemding en van individualisering ons nog een hoop te vertellen. Wie vol vraagtekens staart naar de begrafenis en terluchtbestelling van André Hazes raad ik aan zijn oude Durkheim nog eens uit de kast te halen.

Het kudde-instinct kent ieder mens, journalist en niet-journalist gelijkelijk. In de mediawereld manifesteert het zich alleen eerder, want het wordt permanent in staat van paraatheid gebracht via de zogenaamde actualiteit. De actualiteit is het rallying moment voor een kudde, het geeft iedereen een gevoel van gelijktijdigheid, van gedeelde intensiteit en opwinding. Actualiteit biedt een mentale staat van paraatheid. Die honderden, deels volstrekt overbodige, journalisten op het Binnenhof die achter een minister aanhollen die net zijn ontslag heeft ingediend. Dat is actualiteit – het is gedeelde adrenaline.

Het heeft iets angstaanjagends – dit half getemde dier, genaamd publieke opinie. Maar een geruststellende gedachte blijft dat wijze mensen er wijs mee om weten te gaan. Ze maken zich minder druk om de actueelste opiniepeiling dan de hijgende reporter en zijn vraag: hoe nu verder?

Over de toekomst van de media zelf bestaan gevarieerde scenario’s, maar de meeste denkers zijn enorm somber. Een kwart eeuw geleden zette, inmiddels wijlen, Neil Postman de toon met zijn zwartgallige bestseller Amusing ourselves to death. Hij zag in een radio- en televisiemaatschappij amusement en entertainment de overhand krijgen. Dit zou in de hand worden gewerkt door de commercialisering van mediabedrijven binnen grote internationale ondernemingen – niet gebonden binnen enigerlei structuur van maatschappelijke verantwoordelijkheid. Slechts erop gericht zoveel mogelijk mensen tegelijkertijd in een lamlendige, kritiekloze, a-politieke gemakzucht naar hun zin te maken. Het gekke is dat Postman natuurlijk groot gelijk heeft gekregen. Als zombies volgen we het proces van Paris Hilton met haar schoothondje in Los Angeles, zappen naar Idols, Big Brother, De Gouden Kooi en nog zo wat van die dingen waarin een klein land groot kan zijn. Politici op hun beurt laten zich in malle poses bij malle programma’s zien of omdat ze bekendheid verwarren met populariteit en gezag. Of omdat de remparachute van het innerlijk kompas blijkt te zijn beschadigd.

Het is allemaal waar – publieke opinie is een rommeltje van bizarre bestanddelen geworden.

Maar feit is dat maatschappelijk verantwoorde media zijn gebleven. Sommigen hebben schade geleden, oplages van kranten zijn gekrompen en soms ook weer, zoals van mijn geliefde weekblad Die Zeit, gestegen zonder in de ‘Postman-fuik’ te zijn gezwommen. Op radio en televisie – en ook op internet – is er wel degelijk maatschappelijk-publieke ruimte. Er is wel degelijk serieuze behoefte om de wereld om ons heen te duiden, eraan deel te nemen – aan het publieke debat. NRC Handelsblad zoekt naar platvorm-neutrale routes. Gedrevenheid en geestdrift daar wijzen in de richting van succes. Universiteiten zijn ermee bezig, onderzoekers, studenten. De mediagekte wordt misschien wel steeds gekker, maar we zijn ook veel actiever geworden om ons hardop te bezinnen waar we met zijn allen mee bezig zijn.

Veel meer dan het algehele en wat generieke cultuurpessimisme met de media als handzame kapstok, zie ik bij de maatschappelijk geëngageerde media – bij makers en gebruikers – het fascinerend vraagstuk van het ronddraaiende kompas – het verdwijnen van gezag en elite en het zoeken naar eigentijdser houvast. We zijn daar nog lang niet uit, maar we herkennen het als probleem en dus is daar een wereld te winnen.

Media zijn soms dolend, onzeker, doorslaand, richtingloos, populistisch, arrogant of onnadenkend lid van een kudde. Het maakt ze allesbehalve waardeloos, maar de burger heeft een grotere vaardigheid nodig om op waarde te schatten wat ze allemaal uitspoken. Om ze – gelijk een goede coach een voetbalwedstrijd – te kunnen lezen. Te kunnen beoordelen, te kunnen relativeren. De burger die zich een mening wil vormen, die deelnemer wil zijn in publieke meningsvorming zal dat moeten doen dankzij de media, maar ook dankzij een kritisch gebruik van die media.

Wie als burger wil functioneren, dient kortom mediawijs te zijn.

Dit is een bekorte versie van de oratie die Ben Knapen gisteren uitsprak bij de aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap Media en Kwaliteit aan de Radboud Universiteit Nijmegen.