Rondje Nederland

Wie kent ze? De zes Nederlandse monumenten die op de werelderfgoedlijst staan? Rondtocht met veel vergezichten en weinig gedrang.

6. De molens van Kinderdijk Kinderdijk 13-5-2008 Naar aanleiding van het UNESCO erfgoed ga ik de 6 unesco plekken langs. molens holland Foto Floren van Olden Olden, Floren van

De piramide van Cheops, de grot van Lascaux en de Chinese muur hebben iets gemeen met een bakstenen gebouw dat ligt aan het eind van een kaarsrechte vaart, net buiten Lemmer.

Het Ir. D.F. Woudagemaal is het grootste stoomgemaal ooit gebouwd. Daarom staat het op de werelderfgoedlijst van VN-organisatie Unesco. En zo zijn er op Nederlands grondgebied nog vijf andere monumenten die deel uitmaken van het mondiale erfgoed. Dat weet bijna niemand. Wie vertelt dat hij van plan is om in één weekend al die zes monumenten te bezoeken, krijgt reacties als: „O ja, de Waddenzee. En Kinderdijk. Wat nog meer eigenlijk?”

De Waddenzee staat (nog) niet op de lijst, de molens van Kinderdijk wel. Sinds in 1995 het voormalige eiland Schokland als eerste Nederlandse monument aan de lijst is toegevoegd, is er weinig reclame gemaakt voor de zes werelderfgoedmonumenten. De Lonely Planet van Nederland noemt er slechts drie.

De eerste bestemming is de meest afwijkende van de zes. Het Utrechtse Rietveld-Schröderhuis is modern, heeft niets met zee of rivieren van doen, en is tot ver over de grenzen bekend. Zestien belangstellenden, waaronder een groepje Spanjaarden, zitten in het minibusje dat bij het Centraal Museum is volgeladen. Het houdt halt bij de woning in het oosten van de stad: het witte huis met zijn accenten in zwart, rood, grijs, blauw en geel, vaak gezien op foto’s.

Staande in de tuin op de grinttegels vertelt de jonge gids dat Truus Schröder-Schräder het huis liet bouwen toen haar man overleed. Ze wilde licht voor zichzelf en haar drie kinderen, en contact met de natuur. Gerrit Rietveld, toen nog alleen bekend als meubelmaker, voldeed op baanbrekende wijze aan die wensen, blijkt als de bezoekers met plastic hoesjes om hun schoenen naar binnen stappen. Door de inventiviteit van Rietveld – en van zijn opdrachtgeefster, die steeds meedacht – is ‘binnen’ niet echt binnen.

De zon schijnt, het licht stroomt boven binnen en dan ademt het gebouw rust en helderheid. Wat moet het fijn zijn, denken we, om vanuit elke kamer naar buiten te kunnen stappen. Om, zoals Truus Schröder, niet alleen het raam, maar een heel metalen kozijn open te kunnen klappen.

Wie het Rietveldhuis op vrijdag bezoekt, kan zaterdagochtend vroeg op weg naar Lemmer. Aan het eind van de Gemaalweg ligt een imposant bakstenen gebouw: het Ir. D.F. Woudagemaal. In een keet wachten de rondleiders op bezoek.

Het gemaal, opgeleverd in 1920 toen het stoomtijdperk al bijna ten einde was, was nodig om de Friese velden droog te krijgen. Het is het grootste stoomgemaal ooit gebouwd: per minuut pompt het vierduizend kubieke meter water het IJsselmeer in.

Gids Dijkstra, een oudere man in witte polo, noemt het gebouw trots de „kathedraal van stoom”. Dat is niet helemaal onterecht. De zwarte zuigers waar een man in zou kunnen staan, de metershoge ketels en de overmaatse wielen zijn dan wel weinig religieus, maar samen met het gevlochten ijzerwerk van de trappen en het hoge houten plafond wekken ze zeker ontzag. En het werkt – elke maandag zetten de mannen alles aan het draaien. Bij heel hoog water, zo’n vierhonderd uur per jaar, helpt het gemaal nog mee om Friesland droog te houden.

Het is vanaf Lemmer maar een half uurtje rijden naar Schokland. Op de routeplanner staat het niet: Schokland in de Noordoostpolder is namelijk geen dorp. Het is alleen een langgerekte, smalle strook land die ooit een eiland was met vissers, en met boeren die steeds minder te boeren hadden.

Schokland is een welvarende attractie. Het middelpunt is het voormalige dorpje Middelbuurt, nu een museum. De opnieuw opgebouwde houten huisjes in Zuiderzeestijl staan te glimmen. De museumwinkel verhuurt voor zes euro twee oude dames-Gazelles. Dat treft: rondfietsen over het bloem- en boomrijke ex-eiland is de beste manier om het te bekijken. Anderhalf uur is genoeg voor een ronde, en dan heeft de bezoeker ook alle luxe informatieborden gelezen.

De oorspronkelijke bebouwing is bijna volledig verloren, maar veel is opnieuw opgebouwd. Een waterput, een damwand, zelfs de fundamenten van een vuurtoren hebben een tweede kans gekregen. Zo ontvouwt zich het schrijnende verhaal van de veenlanden van Schokland. Steeds kleiner werd het eiland door de inklinking van het veen, en navenant groter werd de armoede. In 1859 werden de laatste 650 Schokkers van de drie woonterpen gehaald. Op een foto in het museum staat Albert Visser, geboren op 29 april 1857 en overleden in 1948, „een van de laatsten der Schokkers”.

Aan het eind van de middag kan een reiziger vanuit Schokland nog best door naar de Beemster. Na vijf kwartier, en eindelijk een excuus om over de Houtribdijk te rijden die de Markerwaard had moeten omzomen, dient de laatste polder van de dag zich aan. Het zijn de vierkante weilanden van de droogmakerij ten westen van Purmerend, in het begin van de zeventiende eeuw bedacht om land te winnen en om afkalven van Noord-Hollandse veen te stoppen.

De polder is nu een schoolvoorbeeld van de strakke symmetrie die in de Gouden Eeuw als ideaal werd beschouwd. De zijden van de vierkanten, omzoomd door sloten, meten vijfhonderd ‘Rijnlandse roeden’, een Leidse lengtemaat (3,76 meter). In het midden, als op een kruispunt in een Amerikaanse stad, ligt het dorp Middenbeemster.

De indeling, met steeds 1.880 meter tussen twee kruispunten, maakt toerisme in de Beemster wel lastig. Zoals de in groene biologenhes gestoken beheerder van het Infocentrum zegt: wandelen is hier „allemaal rechttoe, rechtaan”. De polder is, zoals veel polders, gevuld met koeien en velden met graan en aardappels. Fietsers en wandelaars gaan over de dijk langs feërieke dorpen als De Rijp, niet midden door het polderland. De geometrische structuur van de Beemster zelf, met de klassieke piramidevormige stolpboerderijen die De Volharding heten of Geduld overwint, is het best te overzien vanuit de auto – en vanaf een landkaart.

Nu heeft de Beemster wel een extra attractie: een werelderfgoed ín een werelderfgoed. Aan de zuidwestrand van de polder ligt het Fort bij Spijkerboor. Het is het noordelijkste fort van de Stelling van Amsterdam, een negentiende eeuwse verdedigingslinie om de hoofdstad. De 36 forten en andere verdedigingswerken bewaken een ring die onder water gezet kon worden.

Maar dat de Stelling nu twaalf jaar werelderfgoed is, betekent nog niet dat zij als geheel te bezoeken is. Sommige forten zijn in gebruik als woonhuis of bedrijf; de opengestelde forten hebben elk andere entreetijden, bijna altijd beperkt tot een paar dagen per maand. Voor onderhoud en exploitatie zijn ze vaak afhankelijk van de inzet van vrijwilligers.

Lukraak kozen we op zondagochtend forten, uit de agenda op de website van de Stichting Militair Erfgoed Groot-Amsterdam. Om het Fort bij Spijkerboor ligt een wandelpad, waar je rustig een rondje kan lopen om de constructie van het bouwwerk te bekijken.

Een blik van dichtbij biedt het Fort bij Edam. Daar is op deze zondag een kindermiddag. Kleuters rennen rond met camouflageschmink en helmen, hun stemmen echoën door de zware gangen. Er is ook een minimuseum, met parafernalia als het ‘Anker gezondheidszadel’ van het Nederlandse leger in de Tweede Wereldoorlog, met ‘hygiënische’ gleuf. Het fort ziet er wat sjofel uit: er staat water binnen, het plafond van de geschutskoepel is een bak roest.

De vrijwillige kantinedames verkopen wel zelfgebakken cakejes, met glazuur in toepasselijk legergroen. De tegenstelling met het Fort bij Vijfhuizen, helemaal aan de andere kant van de Stelling bij Hoofddorp, kon niet groter zijn. Het beton strak afgewerkt, de kozijnen vol in de verf. Het fort is sinds een paar jaar een Kunstfort, met galerie en restaurant. Ook op de taluds staan sculpturen. Op het terras zitten bezoekers aan wijn en salade.

Het is nog anderhalf uur naar Kinderdijk en het is al na drieën. De balans wordt intussen alvast opgemaakt. Het was een goed weekend: geen gedrang, veel vergezichten over weidse Hollandse watervlaktes en een stevige portie geschiedenis. En bovenal verrast het dat er nog bijzondere plekken zijn waar pr-offensieven totaal aan zijn voorbijgegaan.

De perfecte ansichtkaartensfeer komt pas op het laatst, als je na de bedrijven rond Alblasserdam de bewoonde dijk oprijdt die het dorpje Kinderdijk vormt. Vanachter de dijkhuizen glimpen opeens de molens. We zuchten even, verrast en tevreden, en spurten naar de ingang. Eigenlijk is het opvallend rustig. Er is een kiosk die stropdassen en ovenwanten met molens verkoopt, en je kunt een ijsje kopen. Meer is niet nodig. Negentien molens, niks meer aan doen.

Het is aan te bevelen om een tocht langs de zes monumenten tevoren te plannen, omdat ze – op Schokland en Kinderdijk na – beperkt geopend zijn of alleen op bepaalde tijden rondleidingen bieden. Een goed startpunt voor informatie is www.werelderfgoed.nl .