Oude haring

Karel Knip

Tentharingen

Zo zit dan de eenzame kampeerder na zijn kalme wandeling door de Ardennen ‘s avonds voor zijn tent. Hij kijkt naar de wolken, hij kijkt naar de bossen, hij luistert naar de vogels in de verte. Hij heeft net de etenspannen schoongemaakt en nu denkt hij: wat zal ik eens doen. Een ingewikkelde plant determineren en dan ontdekken dat die nog geen Nederlandse naam heeft? Achter een vogel aangaan die hier in België anders zingt dan in Holland? Nog een mooie foto maken?

Hij weet het niet. Het is een van de weinige dingen waarvoor Colin Fletcher van ‘The Complete Walker’ in 1968 geen oplossing gaf. Wat doe je als de tent staat en het eten op is. Fletcher keek naar een vlieg, naar een eekhoorntje en naar een stel stoeiende bevers. En hij koesterde het langzaam groeiende verlangen naar huis. Daarna ging hij slapen.

Maar niet iedereen heeft zomaar een vlieg of eekhoorntje bij de hand. Een beproefd middel om de leegheid te verdrijven is het kritisch onderzoek van de kampeerbagage. Wat deugt daaraan en wat nog niet. Wat is er de laatste decennia aan verbeterd en op welke doorbraak wordt nog gewacht. Het is geen bezigheid waarmee uren te verdrijven zijn, want de kampeer- en bergsportbranche vertilt zich niet aan research en ontwikkeling, maar het geeft altijd weer een prettig gevoel.

Rond 1968 arriveerde het slaapmatje van schuimplastic met gesloten cellen. In die tijd verminderde het gewicht van de tent omdat het zware grondzeil werd ingeruild voor een slap gevalletje. Ook het dakdoek werd dunner. Er verschenen koepeltentjes met bogen van glas- of koolstofvezel, later van een aluminiumsoort met fabelachtige veerkracht. De fleece verving de wollen trui. En verder kwamen er mooie, betrouwbare ritsen en gespen.

Afgezien van de cola-PET-fles die sterk èn vederlicht is is daar de laatste twintig jaar niets meer aan toegevoegd. Wel is er stilletjes veel achteruit gegaan: na het afschaffen van het zwienähen werden bergschoenen vormloze klompen. De draagband van de rugzak werd ongevraagd gevuld met schuimplastic dat juist wel een open cel heeft en de rugzakzak is niet langer waterdicht. Bij de branders en pannen heerst volkomen stilstand.

Hoe weinig de kampeerbranche innoveert, hoe weinig verstand men daar überhaupt heeft van materialen en technieken, blijkt ook uit het allegaartje aan haringen en pennen dat te koop wordt aangeboden. De helft ervan is al binnen een dag krom geslagen en van een ander deel breekt de kop af als je er naar kijkt. Daarna is het haringrestant niet meer uit de grond te trekken.

Haringen en tentpennen zijn er nu al een paar duizend jaar (Richteren 4:21) maar tot een serieus onderzoek naar de gewenste eigenschappen is de branche nooit gekomen. De tientallen patenten van de afgelopen eeuw (zie ‘tent pegs’ en ‘tent stakes’ bij ep.espacenet.com) hebben betrekking op hulpmiddelen om diep weggeslagen haringen alsnog te bergen of op voorzieningen om scheerlijnen en elastieken makkelijker te kunnen bevestigen. In de praktijk is dat nu juist helemaal geen probleem.

Hoe slaan we een lichte haring voldoende ver harde grond in zonder de haring daarbij te verwoesten, dat is de kernvraag. In december 1951 bracht de American Journal of Physics een korte beschouwing onder de titel ‘On the driving of tent stakes’. John Rinehart analyseerde er het verschil in gedrag tussen een stalen en een houten haring. De stalen haring gaat meestal makkelijk de grond in en zet zich daarin goed passend vast. Een houten haring komt nauwelijks vooruit en gaat ook niet vast zitten: hij trilt de grond los. Wie een klap op een houten haring geeft voelt de schok door de grond trekken.

Het verschil zit hem in de verschillende akoestische eigenschappen van de twee materialen, meende Rinehart. Wie in de lengterichting een klap geeft op een haring stuurt een spanningsgolf door de haring die zich voortplant tot aan de onderpunt. Daar kan de golfenergie worden overgedragen aan de grond (transmissie) maar ook voor een deel weerkaatsten (reflectie). Hoe groter de transmissie hoe ongunstiger, want de aan de grond overgedragen energie breekt de grond op en verhindert dat de haring zich vast zet. Bij een goede reflectie blijft de impuls (stoot) van de klap met de hamer in de haring bewaard. (Zo staat het er. Helemaal begrijpelijk is het niet, voor hetzelfde geld zie je het opbreken van de grond juist als een gewenst effect.)

De verhouding transmissie/reflectie wordt bepaald door de dichtheid van, en de geluidssnelheid in het haringmateriaal en de omringende grond en dat is een middel om het optimale haringmateriaal te vinden. Hout scoort heel slecht.

In de American Journal of Physics van september 1954 behandelt Julius Miller in ‘Observations on a pile driver’ de andere kant van de haring: de kop. Hij zag hoe bij een heiwerk afwisselend stalen en houten heipalen de grond in werden geslagen. Vaak kregen de houten palen daarbij een stalen muts op die moest verhinderen dat de houten kop versplinterde. De heiers zelf meenden dat de muts de efficiëntie van het heien verminderde omdat het heiblok behalve de paal ook de muts naar beneden moest werken.

Miller zag dat het andersom was. Zonder stalen muts was de botsing tussen heiblok en paal weinig elastisch zodat veel val-energie verloren ging in warmte. Met muts verbeterde dat. De botsing tussen heipaal en heiblok, tussen haring en hamer (of steen), moet altijd zoveel mogelijk elastisch zijn, rekent hij voor.

Dat is dus een ander bezwaar van houten (en plastic) haringen. Maar ook van de haringen die uitlopen in ogen en haken die makkelijk ombuigen of inzakken. Tenslotte is dat ook het bezwaar van de rubberen hamer die nog steeds standaard in de kampeerzaken wordt aangeboden. Die hoorde bij de houten haringen die allang verdwenen zijn. Op een metalen haring sla je met een metalen hamer. Dat heeft de branche nog steeds niet door.