Niet zeuren

illustratie anki posthumus Posthumus, Anki

Ria Bronneman, als onderzoeker werkzaam bij het Sociaal en Cultureel Planbureau, vindt het niet terecht dat in het Rapport-Dijsselbloem leraren worden beschouwd als slachtoffer van het vernieuwingsbeleid. In een interview begin deze week met deze krant zei ze daarover: “De leraar moet weer meer centraal komen te staan, zo luidt het credo op dit moment. Dat gebeurt echter niet vanzelf. Leraren moeten niet zeuren, maar zichzelf organiseren. Ze hebben nooit een eigen beroepsvereniging opgericht. Dat zou je ze kwalijk kunnen nemen.”

Bronneman wijst hiermee impliciet op een veel voorkomende denkfout die de beroepsgroep veel schade heeft berokkend, namelijk de opvatting dat een vakbond hetzelfde zou zijn als een beroepsvereniging. Dat is bepaald niet het geval. Vakbonden, en dat geldt zeker voor die voor onderwijsgevenden, zijn geen beroepsvereniging maar een nauw met de politiek verweven organisatie. Zo was Jacques Tichelaar, sedert 2002 lid van de Tweede Kamer voor de Partij van de Arbeid, tot die tijd acht jaar lang voorzitter van de Algemene Onderwijsbond, de AOb. Marleen Barth, tot voor kort voorzitter van de Christelijke Onderwijsbond, was voordien eveneens lid van de Tweede Kamer, eveneens voor de Partij van de Arbeid.

Die bonden maken, zoals de onderwijstransfermarkt laat zien, deel uit van het Haagse circuit. Met als gevolg dat de bonden zich bijvoorbeeld opstelden achter de Basisvorming, omdat die concessie diende als wisselgeld in het kader van een breder politiek pakket van geven en nemen. Ze gingen met de invoering daarvan akkoord, of juichten die zelfs ronduit toe ondanks het feit dat ze donders goed wisten dat hun achterban er niets in zag.

Ook het vasthouden aan de arbeidsduurverkorting was een politieke keuze en was niet wat de leraren zelf wilden. Het voorrangsbeleid voor vrouwen had niets te maken met de belangen van leraren, maar werd ingegeven door de heersende politieke mode. Het was pure symboolpolitiek om een proces dat zich hoe dan ook bezig was te voltrekken, een ideologische lading te geven. Het onderwijs is al jaar en dag een speeltje in handen van ‘progressieve’ politici, die daar naar hartelust hun hobby’s mogen uitleven en de vakbonden doen daar volop aan mee.

De abominabele kwaliteit van de lerarenopleidingen en daarmee de instroom van zwak opgeleide nieuwe leden in de beroepsgroep, was voor een serieuze beroepsvereniging reden geweest voor protest, maar voor een vakbond zijn alle nieuwe zieltjes even welkom en telt de werkgelegenheid bij de lerarenopleidingen zwaarder dan de kwaliteit. Dat het opleidingsniveau van leraren niet langer geldt als criterium voor de beloning is ook bepaald niet bevorderlijk voor het aanzien van de beroepsgroep, maar was een politieke wens om daarmee de besturen alle vrijheid te verschaffen bij het voeren van eigen personeelsbeleid. Want, evenals de vakbonden, zijn ook de besturen politieke bolwerken en die moet je dus zo veel mogelijk de vrije hand geven. Vakbonden en besturen zijn de belangrijkste spelers binnen het Onderwijspolitieke Complex. Zij bepalen de grenzen waarbinnen de bewindslieden op onderwijs mogen opereren.

Overigens kennen we inmiddels een club die een beetje het karakter heeft van een beroepsvereniging: de BON, de door Ad Verbrugge aangevoerde club Beter Onderwijs Nederland. Dat politici en bestuurders zich daar zo fel tegen keren en de leden van die club in een kwaad daglicht stellen, komt doordat het hier gaat om een apolitieke vereniging die geen boodschap heeft aan de politieke ruilhandel zoals het onderwijs die al jaar en dag kent.

Inderdaad: niet zeuren, ga je organiseren.

Leo Prick

lgm.prick@worldonline.nl