Met een glimlach

Journalist Aleksandr Troetjnjev overleed in een klein donker kamertje.

Journalist Aleksandr Troetjnjev

In de hal beneden staan alle brievenbussen open en ligt de post verspreid over de kapotte tegels. Een geur van bederf begeleidt ons naar de derde verdieping. „Het is hier ieder voor zich en God voor ons allen”, zegt Natasja, die pas sinds twee maanden in de Academicus-Skrjabinstraat woont. „Toen ik laatst internet liet aanleggen en de kabel buitenom naar drie hoog moest worden doorgetrokken, deden mijn buren ineens onaardig tegen me. ‘Je zult wel rijk zijn’, zeiden ze. Terwijl dat internet nu juist drie maanden gratis was.”

Eenmaal boven, opent Natasja de deur. Eindelijk sta ik daar waar ik al maanden geleden had willen zijn: in het halletje van het 20 vierkante meter grote appartement van Aleksandr Troetnjev. Eind december overleed hij plotseling in zijn slaap, op 58-jarige leeftijd. Een hartstilstand, zeiden de dokters. Zijn dochter twijfelde nog even aan dat oordeel, omdat de deur van haar vaders appartement op een kier stond toen hij werd gevonden. Ook was zijn portemonnee leeg en zijn mobiele telefoon verdwenen. Maar zijn mond toonde een glimlach, alsof hij het niet erg vond om het leven los te laten.

„Hij moet een ontwikkelde man zijn geweest”, zegt Natasja, die zijn flat nu huurt. In een somber wandmeubel staan honderden boeken, het merendeel over geschiedenis en literatuur. „En hij interesseerde zich ook voor dieren en religie”, voegt Natasja toe, die van God en al zijn schepselen houdt. Dan wijst ze op een platenspeler die bovenop een tweede boekenkast staat en zegt: „Er lagen hier honderden lp’s met muziek van Vysotski en Galitsj.”

Terwijl ik aan Aleksandrs houten bureau zit, dat uitkijkt op groene bomen, zet Natasja thee in het minikeukentje. In de bureaula liggen pennen, nietjes, paperclips, lijm, stapels papier: het gereedschap van de journalist die Aleksandr ooit was.

In de Sovjet-Unie werkte Aleksandr Troetnjev voor een staatsolie-en gasbedrijf. Als rondreizend reporter kwam hij overal waar pijpleidingen werden aangelegd of olie-installaties gebouwd. De woestijnen van Kazachstan, het hoge noorden van Siberië, de bergen van de Kaukasus. Het was een leven uit een Marlboro-reclame.

In september vorig jaar ontmoette ik de zachtaardige Aleksandr voor het eerst, via zijn dochter. In een café bij metrostation Taganskaja vertelde hij me over zijn gloriejaren en zijn ondergang. Want zoals bij zo veel Russen werd zijn leven in de jaren negentig drastisch overhoop gehaald. „In die tijd werd ik gevraagd voorlichter te worden van een minister en stopte ik met de bedrijfsjournalistiek”, vertelde hij. „Toen die minister in ongenade viel, kon ik ook vertrekken.”

Daarna werkte hij nog even voor een pr-bedrijf, maar na een conflict stond hij op straat. Hij was vijftig en verdiende geen kopeke meer. In een tijd waarin alles om geld draaide en vaste banen in de media schaars waren, nam hij alles aan waarmee hij iets kon verdienen. „Ik werkte als corrector, schreef voor bedrijven, publiceerde af en toe een artikel. Maar veel leverde het niet op.”

Drie jaar later kreeg hij hartklachten en kon hij met vervroegd pensioen. Vanaf dat moment ontving hij een uitkering van 129 euro per maand. Het was net voldoende voor wat brood, melk, wijn en de gas- en lichtrekening. Een theaterkaartje kon er niet meer vanaf, terwijl hij verslaafd was aan toneel en film. Af en toe schreef hij nog een artikel voor een tijdschrift waarvoor hij 2000 roebel kreeg, maar pas nadat het gepubliceerd was. De autoriteiten mochten dat niet te weten komen, omdat ze hem dan zouden korten op zijn pensioen.

Tijdens zijn relaas stak hij de ene na de andere sigaret op. Zijn stem trilde van emoties, terwijl hij zijn geheugen aanmoedigde. En dan was hij vijf jaar geleden ook nog door zijn vrouw het huis uitgezet, omdat ze vond dat hij te veel dronk.

Niemand had gedacht dat Aleksandr in dat kleine donkere kamertje in de Academicus-Skrjabinstraat zijn laatste dagen zou doorbrengen. Hij woonde er nog maar kort en meende juist zijn leven weer wat op orde te hebben. Ook dankzij zijn dochter die hem met alles hielp. Hij was zelfs op zoek gegaan naar een vaste baan. Eenvoudig was dat niet, omdat hij de gemiddelde sterfleeftijd van een Russische man had en van potentiële werkgevers soms te horen kreeg dat hij allang dood had moeten zijn. En toch was het hem gelukt iets te vinden.

Een paar dagen voor het afrondende gesprek met zijn nieuwe baas, stierf hij. Eenzaam in zijn jongensbed. Met zicht op kale winterbomen en de rode vlammetjes van zijn elektrische openhaard.

„In de zomer wil ik je met genoegen rondleiden door mijn stad”, zei hij toen we in het café afscheid van elkaar namen als de beste vrienden. „Ik kan je zo veel schitterende plekken laten zien.” Hij wist niet dat het er nooit van zou komen.