Loodzware voorstelling vol imitatie-Greco’tjes

Dans [purgatorio] In Visione en Popopera. Gezien: 15 en 19 juni, Westergasfabriek. Herhaling Popopera: 20 juni, tournee volgend seizoen. Informatie: www.ickamsterdam.com.

Twee jaar geleden begonnen Emio Greco en Pieter C. Scholten met de ontwikkeling van het project [purgatorio], het vervolg op hun theaterhit Hell. Wie dacht dat dit eerste deel, geïnspireerd op Dante Alighieri’s La Divina Commedia, zwaar beladen was, moet nu concluderen dat dit slechts het begin was.

Het project [purgatorio] is groots opgezet. Dante’s beklimming van de louteringsberg omvat, naast de solo [purgatorio] In Visione en het groepswerk [purgatorio] Popopera, ook nog de solostudie Double Points: 7. Bovendien is er ook nog een aanvullende filmprogrammering, een debat, een expositie, een magazine en een feest.

In deze uitvoering krijgt Dantes meesterwerk gezelschap van Bachs Matthäeus Passion, zij het ingekort en bewerkt, waarmee Greco en Scholten een link leggen tussen lijden en loutering en meteen een aanleiding vinden om de Zeven Hoofdzonden een plaats te geven in hun theatrale megaonderneming. En passant worden ook zeven circusmétiers meegenomen én niet te vergeten de ‘Zeven Noodzakelijkheden’ uit het artistieke manifest van het choreografenduo.

Op papier wordt met al die elementen een duizelingwekkend bouwwerk geconstrueerd dat bijkans bezwijkt onder zijn eigen ingenieuze dwarsverbindingen. Met handelingen die niet-ingevoerden makkelijk voor gratuite oplossingen zouden kunnen aanzien – het aannemen van de houding van de gekruisigde Heiland, het opzetten van een clownsneus – schampt Greco in zijn solo In Visione langs die achterliggende betekenissen. Maar meestal lijkt hij volkomen machteloos tegenover de muziek van Bach, die zelfs in de bewerking van Franck Krawczyk overdonderend blijft.

Wat rest is een prachtig vormgegeven en belicht decor, dat met een transparante ‘zon’ en zilveren bollen de kosmos lijkt te symboliseren en waar Greco zijn karakteristieke bewegingsvocabulaire demonstreert.

Dat maaien en zwaaien, hippen en trippen, die grote spreidstanden en bezeten blikken zijn sinds Greco’s eerste solo Bianco (1995) niet wezenlijk veranderd en keren in Popopera terug.

Verdeeld over zes fysiek sterk verschillende dansers herwint een en ander iets van zijn oorspronkelijke kracht, maar veel nieuws voegen hun meestal synchrone groepsformaties niet toe. Met hun prevelende, luchthappende monden lijken ze zelfs imitatie-Greco’tjes. Greco zelf heeft een kort, curieus optreden: nadat de (Bijbelse) haan drie keer heeft gekraaid, danst hij kort als een opwindpoppetje rond, zonder dat dit enige invloed op het geheel heeft.

Als de zes dansers dan elektrische gitaren omhangen, wordt alle schriftelijk geëtaleerde culturele en intellectuele bagage – of is het ballast? – definitief tot pretentieuze franje.

In elk geval lijken de glimmende instrumenten niets anders dan een slap excuus voor een serie gelikte beelden die in elke andere context honend zouden worden weggelachen. Bij de internationale lievelingen Greco en Scholten gebeurt dat niet, terwijl dat nou wel eens heel louterend zou kunnen werken.