Liberalisme: naar nieuwe woorden voor bekende waarden

De wereld is de afgelopen decennia zo ingrijpend veranderd dat de liberale kernwaarden moeten worden geherdefinieerd. Volgend weekeinde zal de VVD hierover debatteren. Partijleider Rutte wil een frisse blik op de markt, vrijheid van meningsuiting en grenzen aan de bemoeienis van de overheid.

Tekening Boligan Boligan
Mark Rutte

Fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer

De maatschappelijke en geopolitieke omstandigheden zijn sinds de vroege jaren tachtig ingrijpend gewijzigd. De vrije markt wordt door linkse politici en commentatoren steeds vaker in een kwaad daglicht gesteld. Ook de vrijheid raakt in het gedrang. De staat dijt verder uit en zijn bemoeizuchtige tentakels reiken verder dan ooit tevoren, tot in het persoonlijk leven van mensen. Zelfs de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid waaraan alle andere vrijheden zijn opgehangen, is niet meer voor iedereen vanzelfsprekend. Het zou te ver voeren een complete vergelijkende tijdschets van 1980 en 2008 te geven. Ik moet hier met enkele pennenstreken volstaan: zes trendmatige schetsen om een beeld te geven van de revolutionaire veranderingen die zich de afgelopen dertig jaar hebben voltrokken. Die veranderingen hebben onvermijdelijk betekenis voor de beginselen van de VVD. Daarom moeten we de waarden waar wij al decennia voor strijden, een nieuwe invulling geven.

1 Van vrije markt via globalisering naar markt onder druk

De jaren tachtig vormden de hoogtijdagen van het liberale vrijemarktdenken. Mede dankzij nieuwe technologieën op het gebied van transport en communicatie ontstond een geïntegreerde wereldmarkt waarin voormalige derdewereldlanden via vrijhandel hun economieën razendsnel tot ontwikkeling brachten.

Met meer dan een miljard mensen opgeheven uit een staat van abjecte armoede en sterk dalende kindersterftecijfers lag het voor de hand dat links de verworvenheden van de globalisering zou beschermen. Toch werden in die kringen al in de late jaren negentig de verworvenheden van de globalisering ter discussie gesteld. De ‘Battle in Seattle’, tijdens de WTO-top van 1999, liet de wereld voor het eerst kennismaken met de antiglobaliseringsbeweging (in feite een voortzetting van de oude westerse pro-communistische en anarchistische protestbewegingen van voor de val van de Muur). De antiglobaliseringsactivisten zagen in de door de WTO gegarandeerde internationale vrijhandel – en vooral in Amerikaanse multinationale ondernemingen als McDonald’s, Nike en Coca Cola – de bron van alle armoede en achterstelling in ontwikkeling in de Derde Wereld.

Hoewel feitelijk volstrekt onjuist heeft deze kritiek op de globalisering veel weerklank gevonden.

Ook in ons eigen land zit de vrije markt in het defensief. De broodnodige liberalisering van de huurmarkt werd geblokkeerd, de vrijmaking van de markt voor het briefverkeer voor onbepaalde tijd uitgesteld. Een nieuw pakket belastingverhogingen zet de rem op de economische groei. De opbrengsten daarvan worden vooral besteed aan traditionele linkse herverdelingsprojecten in eigen land en daarbuiten (denk aan het opschroeven van de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking tot ver boven de internationale norm). Wij zullen opnieuw het debat moeten aangaan over nut en noodzaak van liberalisering en privatisering, een kleinere staat, lagere belastingen, kortom: een vrijere marktorde.

Daarbij moeten we ons wel rekenschap geven van het feit dat de mens niet voor de markt alleen leeft. De onderneming is slechts een van een groep van kerninstellingen waarbinnen mensen hun leven in vrijheid leven. Tot deze groep behoren verder instituties als het gezin, de kerk, de school en de vereniging. Deze kerninstellingen zijn voor een vrije samenleving van groot belang, omdat de mens er al spelend, werkend en levend de voorwaarden van vrijheid leert kennen: een rechtvaardigheidsgevoel, praktische redelijkheid, burgermoed en vooral de gulden regel ‘doe een ander niet aan wat jij zelf ook niet zou willen ondergaan’. De verregaande verstatelijking van dit voorheen vrije netwerk van kerninstellingen heeft geleid tot groteske toestanden: onderwijskoepels die met het gezicht naar Den Haag staan en met de rug naar de scholen die ze geacht worden te vertegenwoordigen; brancheorganisaties zoals productschappen waar bedrijven zich verplicht bij moeten aansluiten. Aan de VVD de uitdaging te laten zien dat dergelijke kerninstellingen tot bloei kunnen komen zonder staatsinmenging.

2 Technologie: van voorpagina naar beklaagdenbankje

Een ander aspect van het antiglobaliseringsdenken dat weerwoord verdient, is wat men de technoscepsis zou kunnen noemen: de onredelijke en ongefundeerde afwijzing door links van alle verworvenheden van de technologische revolutie.

Het antitechnologiedenken van de antiglobalisten, met hun strikte afwijzing van genetische manipulatie in de landbouw en hun felle campagnes tegen industralisering, heeft iets weg van de Engelse Luddites. Die leefden in de vroege negentiende eeuw hun frustraties over de komst van de Industriële Revolutie uit op de spinmachines die hun handwerk overbodig dreigden te maken. Het is niet moeilijk om de overeenkomst te zien tussen de Luddites van toen en de ‘activisten’ van nu, die voor het oog van de camera veldjes met genetisch gemanipuleerde gewassen vernietigen – of met de milieuterroristen, die zich van de meest gewelddadige middelen bedienen in hun campagnes tegen biotechnologie-laboratoria. Het is aan de VVD om de verworvenheden van de opeenvolgende technologische revoluties te beschermen tegen deze moderne barbarij.

Natuurlijk is het waar dat nieuwe technologieën vragen op kunnen werpen waarop de partij niet meteen een eenduidig antwoord kan geven. Te denken valt daarbij aan het vraagstuk van de bescherming van persoonsgegevens in een tijd van grootschalige informatieuitwisseling. Desondanks moet de grondhouding van de VVD ten opzichte van technologische ontwikkeling onmiskenbaar positief zijn.

Dat geldt ook voor ontwikkelingen op medisch gebied. Het volledig in kaart brengen van het menselijk genoom heeft de medische wetenschap in een stroomversnelling gebracht. Dat maakt het voor het eerst mogelijk om erfelijke aandoeningen als kanker effectief te bestrijden. Stamcelonderzoek kan helpen bij het ontwikkelen van nieuwe behandelmethoden voor een reeks van ernstige aandoeningen, van Alzheimer tot Parkinson. Wij moeten ervoor waken dat deze ontwikkelingen worden geblokkeerd door een onredelijke afkeer van het onbekende of door een onwenselijke vermenging van religie en politiek.

3 Van terugtredende staat via bemiddelende staat naar bemoeizuchtige staat

In de geschiedenis van het denken over de staatstaken vormt 1980 een belangrijk keerpunt. Het sociaal-democratische maakbaarheidsdenken van de jaren vijftig en zestig was in de jaren zeventig op de grenzen van de werkelijkheid gestuit. In de Angelsaksische wereld was een electorale storm opgestoken die eerst Margaret Thatcher (1979) en later ook Ronald Reagan (1981) aan de macht zou brengen. De overheid, zo legde Reagan uit in zijn eerste inaugurele rede, was niet het antwoord op onze problemen; de overheid was het probleem. De sturende staat moest wijken voor de terugtredende staat.

In de tweede helft van de jaren negentig volgde een nieuwe fase in het denken over de rol van de staat. Aandrijver was ditmaal het Britse New Labour onder leiding van de sociaal-democraat Tony Blair, die probeerde op de puinhopen van het oude maakbaarheidsideaal een nieuwe sociaal-democratische staatsopvatting te bouwen die recht deed aan het overheidsscepticisme van de door de Reagan en Thatcher beïnvloede burger. Maakbaarheid was nu hoofdzakelijk een taak van mensen zelf. De rol van de staat was volgens Blair vooral een faciliterende.

Inmiddels is vanuit de Amerikaanse westkust een volgende veranderingsgolf in het denken over de staatstaken naar ons land gerold. Het behelst wat met een Engelse term wel de nanny state wordt genoemd, de bemoeizuchtige staat die alle aspecten van ons dagelijks leven die enigszins improductief of risicovol zouden zijn voor ons probeert weg te reguleren. Volgens deze staatsopvatting is de belangrijkste taak van de staat toegang tot geluk te garanderen door alle vormen van hinderlijk of ongezond gedrag te verbieden.

Dit neomoralisme verschaft de overheid de rechtvaardiging om een reeks verboden uit te vaardigen: over roken, over ongezond eten of over het rijden in een te grote auto. Zelfs het taalgebruik ontsnapt niet aan de regelwoede van de bemoeizuchtige staat. Alles wat naar kwetsen of beledigen zweemt, wordt zonder aarzelen verboden. Woordenboeken worden opgeschoond (de beruchte politieke correctheid) en ‘spraakcodes’ moeten ervoor zorgen dat niemand zich onbedoeld beledigd kan voelen door de uitlatingen van een ander. De vrijheid van meningsuiting dreigt zo ondergeschikt te worden gemaakt aan het recht niet beledigd, gekwetst of zelfs maar geïrriteerd te worden.

Kunnen wij onszelf nog wel met goed recht liberaal noemen als wij de nieuwe, bemoeizuchtige beleidsagenda gaan overnemen? Is het deze keer niet eerder noodzakelijk tegenover deze ontwikkeling stelling te nemen en luid en duidelijk ‘Nee’ te roepen?

4 Van Koude Oorlog naar Clash of Civilizations

Het einde van de Koude Oorlog leidde eind jaren tachtig tot een uitbraak van westers optimisme. De Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama voorspelde in 1989 in een artikel getiteld Het einde van de geschiedenis? de komst van een liberale eindtijd waarin ideologische verschillen verdwijnen en vertegenwoordigende democratie universeel geaccepteerd wordt als regimevorm. Het was niet ondenkbaar dat sommigen eenmaal op de historische eindbestemming aangekomen uit onvrede over de liberale democratie zouden besluiten verder te trekken.

Fukuyama zou al snel gelijk krijgen. In de loop van de jaren negentig diende zich namelijk een nieuwe uitdaging van de westerse liberale democratie aan in de vorm van de fundamentalistische Islam. Het theocratische regime van de ayatollahs, ontstaan uit de Iraanse Islamitische revolutie van 1979, fungeerde als wegbereider voor een aantal fundamentalistische bewegingen die met de meest gewelddadige middelen streven naar uitbreiding van de Islamitische invloedssfeer. Zoals de aanslagen van 11 september 2001 (New York en Washington DC), 11 maart 2003 (Madrid), 2 november 2004 (Theo van Gogh) en 7 juli 2005 (Londen) duidelijk maken, hebben aan deze bewegingen verwante organisaties inmiddels ook het vrije westen tot doelwit verklaard.

De door Samuel Huntington voorspelde clash of civilizations leek te zijn aangebroken toen de westerse wereld na de aanslagen van 11 september 2001 besloot militair in te grijpen in Afghanistan (2001) en Irak (2003). Ik schrijf overigens ‘leek’, omdat het naar mijn mening een misvatting is te denken dat de radicale Islam een serieuze militair-strategische bedreiging vormt voor het vrije westen. Wij zijn eenvoudigweg te vrij, te welvarend en te machtig om door een dergelijke bedreiging blijvend te kunnen worden ontwricht.

Toch dwingt de aanwezigheid van de op territoriale expansie gerichte Islamitische fundamentalistische terreur, zowel in de vorm van regimes als die in Iran of Gaza als in de vorm van weinig grijpbare terreurbewegingen als Al-Qaeda, ons tot een nieuwe vastberadenheid op defensiegebied.

Het is noodzakelijk opnieuw te benadrukken dat de VVD gelooft in een sterke defensie en een effectief beleid van recht en orde.

5 Van multiculturele wensdroom via integratiedebat naar nieuw nationaal bewustzijn

Het feit dat een clash of civilizations ondenkbaar is, wil niet zeggen dat de Islam voor ons land geen serieuze uitdaging vormt. Een uitdaging is de aanwezigheid van één miljoen moslims binnen onze landsgrenzen immers wel degelijk. In sociale zin is het bijvoorbeeld een probleem dat er een onderklasse van vooral Marokkaanse immigranten dreigt te ontstaan, met meerdere generaties nieuwkomers die nooit hebben gewerkt en blijvend afhankelijk zijn van een uitkering of de inkomsten verkregen uit misdadige activiteiten. Ook andere migrantengemeenschappen – uit de Antillen, uit Afrika en uit delen van Azië – kunnen zich slechts met moeite aan de onderklasse ontworstelen. Voor te velen is de multiculturele wensdroom in een nachtmerrie geëindigd.

In het integratiedebat is een veelgehoorde klacht van de kant van immigranten dat men niet duidelijk weet waar men nu eigenlijk in geacht wordt te integreren. Toch is die vraag niet moeilijk te beantwoorden. De studie van de geschiedenis leert ons namelijk dat het Nederlandse beschavingsproject in feite op drie belangrijke fundamenten rust, namelijk de joods-christelijke traditie, het humanisme en de Verlichting. Om de betekenis van deze fundamenten voor de Nederlandse samenleving te leren kennen, zouden immigranten zich ook moeten verdiepen in onze vaderlandse geschiedenis.

Dat is dankzij de oplevende belangstelling voor alles wat met ons nationaal verleden te maken heeft ook goed mogelijk. Zo beschikken wij tegenwoordig over een nieuwe historische canon en een democratisch vastgestelde lijst van ‘Grote Nederlanders’. Een Nationaal Historisch Museum kan daarnaast helpen om binnen bredere lagen van de bevolking het historisch besef en de kennis van de Nederlandse geschiedenis te bevorderen. Onze grondwet is een derde belangrijke bron van kennis over de samenleving, waarin men geacht wordt te integreren.

Die leert bijvoorbeeld dat wij in ons land uitgaan van de gelijkwaardigheid van man en vrouw, gelovig en ongelovig, blank en zwart, homo en hetero. Dat het individu beschikt over een aantal vrijheden die door de staat niet mogen worden aangetast. En dat kerk en staat van elkaar gescheiden zijn en dat ook behoren te blijven.

Op basis van de hierboven genoemde drie-eenheid (beschavingsfundamenten, vaderlandse geschiedenis en grondwet) moet de VVD pleiten voor een nieuw nationaal bewustzijn.

6 Van voltooide emancipatie naar opstand der burgers en nieuwe sociale tweedeling

De liberale beweging heeft sinds 1848 een prominente rol gespeeld in het emancipatieproces. Het is dan ook niet voor niets dat namen van grote liberalen als Samuel van Houten en Aletta Jacobs altijd verbonden zullen blijven aan het Nederlandse emancipatiestreven.

De lange emancipatiestrijd had rond 1980 geleid tot de opheffing van alle vormen van achterstelling. In de afgelopen decennia zijn er echter nieuwe scheidslijnen ontstaan. Een zo’n nieuwe scheidslijn is die tussen burgers en bestuurders, de beroemde en beruchte ‘kloof’. Sommigen menen dat de kloof vooral een zaak is van tekortschietende vertegenwoordiging en dat diezelfde kloof dus uitsluitend door staatsrechtelijke hervormingen kan worden opgelost. Ik waag het te betwijfelen.

Het werkelijke probleem is namelijk het toenemende verschil tussen de door teveel politici gecreëerde verwachtingen en de weerbarstige werkelijkheid. Deze politici wekten beloften die niet konden worden waargemaakt. De opeenstapeling van eisen heeft daarbij een negatieve spiraalwerking: hoe meer van de overheid wordt gevraagd, des te minder zij in praktijk vermag.

De niet waargemaakte verwachtingen leiden vervolgens tot negatieve reacties onder de kiezers. Een ervan is cynisme. Dat gaat niet alleen over vermeende gevallen van zakkenvullerij of nepotisme. Het gaat vooral ook over het ondermaatse presteren van de overheid. De hardwerkende Nederlander moet een groot deel van zijn inkomen afstaan aan de staat en hij krijgt er bitter weinig voor terug. In plaats van de beloofde gouden bergen ziet hij files, falende scholen en gebrekkige ziekenhuizen.

Er is ook frustratie over het feit dat hun ambities gesmoord worden in een moeras van regelgeving. De Nederlanders die hard werken om voor zichzelf en hun naasten een beter bestaan op te bouwen, krijgen daar onvoldoende waardering en vertrouwen voor terug. Het tempert niet alleen hun motivatie maar zorgt er ook voor dat hun vakmanschap in de verdrukking raakt. De huisarts, de politieagent en de leraar brengen meer tijd door met het lezen van Haagse circulaires en het invullen van papierwerk dan met het uitoefenen van hun vak. Zij krijgen steeds meer het gevoel dat Den Haag er vooral is om hen tegen te werken.

Het feit dat zelfs de meest wezenlijke kerntaak van de overheid, die van de ordehandhaving, niet naar behoren wordt uitgevoerd, leidt daarnaast tot een groeiend gevoel van onbehagen onder gezagsgetrouwe burgers. Onfatsoen, rotzooi en verloedering winnen het van orde, veiligheid en gezagsgetrouwheid. De criminaliteitscijfers hebben de afgelopen dertig jaar een nadrukkelijke stijging laten zien. Veel kleine vormen van criminaliteit worden door de politie niet eens meer in behandeling genomen. Politici die, deze werkelijkheid negerend, aan de hand van de laatste kwartaalstatistieken proberen uit te leggen dat het in vergelijking met vorig jaar echt beter gaat, ondermijnen het vertrouwen van de Nederlander in de overheid alleen nog maar verder.

Behalve groeiend onbehagen over bestuurlijk onvermogen groeide er de afgelopen decennia ook een nieuwe sociale tweedeling. Aan de ene kant staan al diegenen die volledig aan het maatschappelijke en economische proces kunnen deelnemen. Aan de andere kant staat een nieuwe onderklasse van permanent buitengeslotenen, voor wie de sociale zekerheid niet een vangnet maar een valkuil is.

De verzorgingsstaat is een buitengewoon bot instrument gebleken bij de bestrijding van armoede. Terwijl de afgelopen dertig jaar meer dan een biljoen (duizend miljard) euro is besteed aan armoedebestrijding, neemt het aantal mensen met een laag inkomen nauwelijks af. De werkelijkheid aan de onderkant van de inkomensschaal is dat er een steeds grotere groep van mensen is die nooit hebben gewerkt en hun hele leven van een uitkering afhankelijk zijn geweest. In deze groep wordt uitkeringsafhankelijkheid van generatie op generatie overgedragen. De leden van de nieuwe onderklasse zijn daarnaast oververtegenwoordigd in de voornaamste probleemstatistieken: misdaad, gevangenispopulatie, schooluitval, relatiebreuk, alcoholmisbruik.

De nieuwe tweedeling kan niet worden aangepakt met meer van hetzelfde. Als wij, staande in de traditie van Samuel van Houten, de sociale rechtvaardigheid als kernbeginsel willen handhaven, zijn wij het dan niet aan deze mensen verplicht om op zoek te gaan naar een volledig nieuwe betekenis van dat begrip – een die de spiraal van uitzichtloosheid kan helpen doorbreken?

De voorgaande opsomming moet duidelijk maken dat er sinds 1980 veel fundamentele veranderingen hebben plaatsgevonden die herschrijving van onze beginselen noodzakelijk maken.