Knettergekke pappenheimers

De luidruchtige, botte Nederlanders zijn in het parlement uiterst fatsoenlijk, ontdekt Stefan De Foer. In België is dat precies andersom.

Lukraak bezoekje aan de Tweede Kamer. Bijzonder technische onderwerpen (milieu, ruimtelijke ordening) op de agenda. Ik zou liegen als ik beweerde dat het spannend was. Toegegeven, verkeerde dag, maar spannend wil het zelden of nooit worden in de Tweede Kamer. Debatten op niveau, dat wel. Meer dan in ons land wordt de illusie hier gevoed dat het parlement iets kan beslissen dat nog niet door de regeringspartijen achter de schermen bedisseld is. Maar meestal emotieloos. Het Belgisch parlement is alleen emotieloos als de helft afwezig is. Zodra het ergens over gaat, raken de gemoederen snel verhit, met niet altijd erg parlementair woordgebruik. En hoe vaak hebben we de Engelse premier al vierkant uitgelachen zien worden op de tv? Om van Italië maar te zwijgen, waar ze elkaar voor moordenaar uitschelden en fysiek te lijf gaan.

Maar op het Binnenhof is het parlementair gedrag de fatsoenlijkheid zelve. Frappant toch. Nederlanders vinden Belgen zacht en omzwachteld in de omgang, wij vinden hen direct en vaak zelfs bot, maar onze parlementaire tradities zijn precies omgekeerd. Uitgerekend in de instelling die dient om te debatteren en dus soms ruzie te maken, moet je extra op je taal letten. En dat is altijd zo geweest.

Vóór 1940 werden leden van de Tweede Kamer streng op de vingers getikt wegens woorden als ‘knoeiwinkel’ en ‘praatjes voor de vaak’. ‘Ongepast gedrag’ werd toen in de Parlementaire Handelingen veranderd in ‘onjuist gedrag’, en ‘harteloos’ werd als ‘meedogenloos’ bijgestuurd.

Maar ook lang nadat de maatschappelijke revolutie van de jaren zestig in Nederland álles mogelijk had gemaakt op straat, bleven die benepen normen in zwang in de Tweede Kamer. Een ‘luie’ minister? Foei, maak daar maar snel een ‘non-actieve’ van. ‘Minachting’ van het parlement? U bedoelt zeker ‘niet-juiste bejegening’?

In 2001 werd het censuurrecht van Kamervoorzitters afgeschaft, net voor de moord op Fortuyn, het jaar waarin het Nederlandse publieke debat aanzienlijk begon te verharden. Daarmee is ook het parlementaire klimaat veranderd. Geert Wilders heeft de voorbije maanden gezegd dat minister Ella Vogelaar ‘knettergek’ is, en dat minister Maxime Verhagen ‘de pot op kan’. Ongehoord in Nederland, maar niet langer streng bestraft. Zelfs de term ‘Marokkaans tuig’ valt nu soms in de Tweede Kamer.

Vorige week kwam er opeens felle reactie. Niet van de fatsoensrakkers bij uitstek, de ChristenUnie, of van Balkenendes CDA, maar van een Tweede Kamerlid van de linkse SP, Harry van Bommel. Die pikte het niet dat een staatssecretaris tijdens een debat over het Verdrag van Lissabon had gezegd: „ik ken mijn pappenheimers”. Van Bommel wenste niet opgevoerd te worden als een pappenheimer.

’s Anderendaags deed hij wéér lichtgeraakt. Deze keer omdat CDA-collega Jan Ormel in een repliek op Van Bommel had gezegd dat hij (Ormel) wél wakker was gebleven tijdens het standpunt van de regering. De suggestie dat hij had zitten slapen, vond Van Bommel ongehoord en onparlementair. En in plaats van hem gewoon uit te lachen om zijn verkrachte maagden-verontwaardiging, verontschuldigde Ormel zich formeel. 'Slapen kan zowel op het lijf als op de geestesgesteldheid slaan', zei hij. Hij had 'zeker niet gesuggereerd dat het lijf van de gewaardeerde collega sliep'. Van Bommel kon daarmee geen genoegen nemen.

Dat alles, beste lezer, terwijl diverse Nederlandse politici constante politiebegeleiding krijgen omdat ze bang zijn op straat slachtoffer te worden van een nieuwe politieke aanslag na Fortuyn en Van Gogh. De Wetstraat met haar communautaire stammentwisten is ongetwijfeld exotisch, maar de Nederlandse ook.

Steven De Foer was vroeger Belgisch correspondent in Nederland. Dit artikel is overgenomen uit De Standaard, en maakt daarin deel uit van de drieweekse serie 'Hollandse maatjes'.