‘Ik kwam er slechter uit’

‘Ik heb in Harreveld dingen gezien die een jongen niet zou moeten zien’ Foto Floren van Olden Amsterdam 8-4-2008 Stefano (Frederieke heeft correcte spelling) verteld zijn verhaal over zijn jeugd in instellingen en ervaringen met jeugdzorg. Plan was met moeder, maar die wilde niet herkenbaar in de krant. Op deze foto zijn wel haar armen te zien Foto Floren van Olden Olden, Floren van

‘Eén keer ben ik het afgelopen jaar agressief geworden. Ik sloeg hier thuis een ruit aan diggelen. En ik riep: ‘mama, waarom heb je me daar al die jaren laten zitten?’ Ik was zo boos over de vier jaar die ik in een jeugdgevangenis had gezeten. Het kwam er in één middag uit. Ik heb mijn moeder gevraagd waarom ze zich telkens had neergelegd bij ‘het systeem’: bij het oordeel van de kinderrechter die weer luisterde naar de gezinsvoogd en de jeugdinrichting. Ik heb heel hard gehuild.

Ik zat zeven maanden ‘gesloten’ en drie jaar op de open afdeling van de justitiële jeugdinrichting Harreveld in de Achterhoek. Ik was niet eens veroordeeld voor iets. Ik was uit huis geplaatst, op mijn twaalfde, omdat ik onhandelbaar was. Mijn moeder woonde alleen, met mij, en ik had ADHD. Ik zat ook op het speciaal onderwijs. Ze kon me niet meer aan. Maar ik was nooit in aanraking met de politie of zo.

Ik ben nu rustig, hè, mama? Ik woon alweer tien maanden thuis. Toen ik achttien werd, werd ik vrijgelaten. Het gaat wel, ik heb nog steeds geen last met de politie. Ik ga proberen weer wat van mijn leven te maken. Ik heb alleen nooit een diploma gehaald. Ik ben ook niet behandeld voor die ADHD. Maar ik heb Phyllis, de lieftallige Phyllis, mijn vriendin. Met haar ga ik trouwen.

Ik ben opgegroeid hier in Amsterdam-Oost. Met mijn vader heb ik wel contact, maar hij woonde hier niet. Mijn moeder voedde me op. Ze was verpleegkundige in het AMC. Op twee februari 2002, de dag dat iedereen feest vierde omdat Máxima ging trouwen, werd ik naar het Jongeren Opvang Centrum gebracht, hier in de buurt. Een plek voor moeilijke kinderen. Mijn moeder liet me daar achter, ze kon me niet meer aan. Ik heb de hele dag gehuild, omdat mijn moeder me daar alleen achterliet bij die mensen die ik helemaal niet kende.

En toen kreeg ze die hersenbloeding, toen ik net uit huis was geplaatst. Ze raakte aan één kant van haar lichaam verlamd. Ik kon toen niet terug naar huis, want mijn moeder moest een jaar lang revalideren. Intussen ging ik spijbelen. Dan nam ik tram 1 naar school, maar stapte ik halverwege uit bij het revalidatiecentrum waar mijn moeder lag. Dan bleef ik de hele dag bij haar.

Dus kwam ik in Hoenderloo terecht (strenge jeugdinstelling, red.). Vreselijk. Ik leerde daar rare jongens kennen, die me opnaaiden. Ik was een drukke puber, ik geef het toe. Maar ik was ook een van de jongsten in Hoenderloo en ik moest me manifesteren. Dus daagde ik jongens uit. Dat leverde me vaak ruzie op. Ik ben toen ook één keer voor de rechter verschenen. Ik liep met een groep Hoenderloo-jongens op een NS-station en een conducteur sprak me aan, omdat ik geen kaartje had. Toen is die groep boven op hem gesprongen. Ik niet hoor, maar ik was wel de oorzaak van het geweld. Ik kreeg een boete wegens medeplichtigheid. Toch was die veroordeling niet de grond waarop ik in Harreveld terecht kwam. Ik ben daar civielrechtelijk geplaatst, zoals dat heet. Ze wilden me opsluiten en dat kon alleen daar.

Ik was toen dertien. Mijn voogd van Jeugdzorg vond opsluiting het beste. Een Marokkaanse man. Heel streng. Hij zei dat er geen land met me te bezeilen was. Mijn moeder was toen hersteld van die hersenbloeding, maar nog niet in staat om mij alleen thuis op te voeden. Jij begreep ook niet waarom ik opgesloten moest worden, hè mama?

Ik kwam in Harreveld tussen jongens die veel harder waren dan ik. Jongens met een strafblad wegens roof en geweld. In het begin realiseerde ik me niet hoe hard ze waren. Ik kwam er later achter dat een jongen bijvoorbeeld was veroordeeld omdat hij spijkers in iemands hoofd had geslagen.

Het heeft me harder gemaakt. Ik dacht steeds: als ik dít overleef zonder te huilen dan hoef ik later, buiten, nooit meer te huilen als ik de schuld krijg voor iets. Ik ben slechter uit die gevangenis gekomen dan ik er inging.

De eerste drie maanden dat ik in Harreveld zat, mocht mijn moeder me niet bezoeken. Ik leefde volgens het regime van een gesloten justitiële afdeling: overdag naar school, binnen de instelling, ’s avonds samen eten, een uur verplicht rusten en daarna tv kijken of computeren. Tot mijn kamer om tien uur op slot ging. Mijn moeder durfde me niet eens te bellen in die tijd, hè mama? Als ze mij aan de lijn kreeg, kon ik alleen maar huilen, huilen, huilen.

Toen ze eenmaal op bezoek kwam, schrok ze zich dood. Ik was zó dik. Ze zei: waar spuiten jullie hem mee in? Niks, zeiden ze. Over medicijnen heb ik constant ruzie gehad met de leiding. Ze wilden me aan de ritalin hebben, voor mijn ADHD, en ik wilde dat niet. Heel veel kinderen met ADHD gebruiken ritalin om rustiger te worden, maar ik wilde dat spul niet in mijn lichaam. Er zit amfetamine in, anderen worden er high van. Op een gegeven moment ben ik gaan doen alsof ik het innam en ruilde ik de pilletjes met andere gevangenen. Voor een pakje shag en later voor hasj. Niemand in Harreveld behandelde me trouwens voor mijn ADHD.

Ik heb in Harreveld dingen gezien die een jongen niet zou moeten zien. Twee verkrachtingen, hoor, waarbij oudere jongens een jonger jongetje pakten. Eentje was op de jongens-wc. Ik kwam binnen. Er stond een grote jongen achter een kleintje en hij had een doek in zijn mond gepropt om hem stil te krijgen. Walgelijk. Ik ben die grote jongen aangevlogen en heb hem zeep laten eten. Ik heb ook gezien dat een veroordeelde jongen het hoofd van een van de groepsleiders boven een kolkende frituurpan hield. Dreigend. We noemden hem vanaf dat moment ‘crispy’.

Maar ik heb er ook lol gehad. Met de jongens van de afdeling ‘Vroeger Verwaarloosd en Agressie Problemen’ vormde ik een legertje. Gingen we steeds de strijd aan met de groepsleiding. We stuurden ook boeken en sigaretten van kamer naar kamer via de verwarmingsbuizen. Net als in de film.

Er waren in die vier jaar ook twee groepsleiders die aardig voor me waren. Die ik vertrouwde. Ik heb goede herinneringen aan ze. Eentje was een Nederlander, hij zag eruit als een skinhead en zat onder de tatoeages, maar hij was heel aardig. Ik ben er ook boeken gaan lezen, van alles over de slavernij, over Malcolm X en over religie. En ik ben gaan rappen. Daar ben ik goed in.

Mijn moeder, die inmiddels in de WAO zat, kwam maandelijks langs. Ze betaalde dan een snorder (een illegale taxi, red.) 50 euro om haar naar Harreveld te vervoeren. Elk half jaar zei de kinderrechter of ik in Harreveld moest blijven en elke keer zei mijn moeder tegen de rechter dat ze me graag terug wilde hebben. Maar het oordeel van de gezinsvoogd en Harreveld woog zwaarder, hè mama.

Op mijn vijftiende mocht ik naar de open afdeling, omdat ik ‘rustig’ was geworden. Zonder medicijnen, maar dat wist de leiding niet. Ik mocht steeds vaker met verlof naar mijn moeder en dan leerde ik in de trein meisjes kennen. Ze vonden mij wel stoer, zo’n jongen uit de jeugdgevangenis. Ik had over vrouwelijke aandacht niets te klagen. Ik blowde wel in de trein en dat vonden ze bij Harreveld niet goed. Maar ik kreeg rust in mijn hoofd van het blowen.

Pas de laatste twee keer dat de verlenging van mijn uithuisplaatsing weer voor de kinderrechter kwam, heb ik het voor mezelf opgenomen. Ik zei tegen de rechter: meneer, ik weet niet wat ik daar doe. Ik krijg geen heropvoeding. Ik leer alleen overleven. Het heeft niet geholpen, want ik werd pas vrijgelaten toen ik achttien werd vorig jaar. Volwassen.”

Frederiek Weeda