Humaan geneticus 2

Het interview met geneticus Galjaard over de grenzen aan de medische techniek levert mijns inziens weinig houvast voor discussie en bovendien een tegenstrijdig beeld (‘Humaan Geneticus’, W&O 7 juni). Enerzijds is hij van mening dat de beslissing omtrent pre-implantatie genetische diagnostiek (pgd) bij de medische wetenschap moet liggen en dat de overheid niet in detail moet voorschrijven wat wel en niet mag, anderzijds wil hij een glijdende schaal voorkomen. Ik denk dat als je een glijdende schaal wilt voorkomen, je juist controle moet uitoefenen en nauwkeurig regels moet stellen. Het ontwikkelen van nieuwe en verdergaande technieken is toch een impliciet kenmerk van wetenschap? Om niet alle onderzoek te frustreren moet je de wetenschap niet afremmen met zware ethische overwegingen. Beslissingen over de toepassing van technieken kunnen dus beter weloverwogen democratisch worden genomen.

Het vaststellen van criteria voor elke nieuwe toepassing van embryoselectie zou moeten beginnen met de cruciale vraag wat we precies onder prenataal menselijk leven verstaan. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord wanneer en bij welke ernst van ziekte selectie acceptabel is. Dat moet niet bepaald worden door de medische wetenschap, zeker niet door religie, maar door democratische afweging van ethische normen.

Met het oog op de vraag wanneer sprake is van levenswaardigheid, begrijp ik niet dat tegenstanders van embryoselectie niet inzien dat het voorstel van Bussemaker c.s. om embryoselectie onder specifieke voorwaarden te verruimen, in ieder geval een verbetering is ten opzichte van de huidige situatie waarbij, na een vruchtwaterpunctie met een positieve uitslag, een foetus wordt geaborteerd.

En wat betreft de angst die Galjaard heeft voor de toekomst en voor de glijdende schaal, denk ik dat hij hiermee vooral een gebrek aan vertrouwen uitspreekt in het ethisch denkvermogen van toekomstige generaties.

    • S. van der Vooren Utrecht