Hoezo doe maar gewoon?

De Oranjegekte kan vandaag een voorlopig hoogtepunt bereiken. Is dat niet een beetje vreemd in onze ‘doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’- cultuur?

Ellen de Bruin

Bij elk EK of WK voetbal is het weer zover – zolang Nederland nog niet is uitgeschakeld, tenminste. Dan verbaast het ene deel van de bevolking zich over het andere. Over het deel dat straten versiert met oranje vlaggetjes, in oranje T-shirts met vrolijk dreigende leeuwen loopt, het eigen gezicht oranje schminkt en oranje hapjes en veel bier klaarzet voor bij de oranjetelevisie, thuis of in het café. Het is een vorm van gekte die verder eigenlijk alleen met carnaval voorkomt, of op koninginnedag (en de nacht ervoor) in de grote steden. En die wel iets vreemds heeft, in onze ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’-cultuur.

Maar gewoner dan Oranjegekte kun je het eigenlijk niet hebben, zeggen mensen die een studie van rituelen hebben gemaakt. En het is ook al heel normaal dat de niet-vierders zoveel uitbundigheid met een mengeling van verbazing, licht wantrouwen en afschuw bekijken. Dat zie je door de hele geschiedenis heen bij feestrituelen waarbij mensen zich verliezen in extatische groepsgevoelens, schrijft de Amerikaanse journalist Barbara Ehrenreich in haar vorig jaar verschenen boek Dancing in the Streets. A History of Collective Joy. Van popconcerten tot rituelen bij primitiever gedachte volken, van carnaval tot grootschalige sportevenementen: er is altijd een groep die erin opgaat, en een groep die het liever rustig houdt.

Vaak bestaat die tweede groep uit mensen die hoger op de sociale ladder staan, en die (soms terecht) bang zijn dat de gevestigde hiërarchie wordt aangetast. Zo beschrijft Ehrenreich hoe het vroege christendom dionysische rituelen kende: er werd woest gedanst, er werd water in wijn veranderd en mensen ‘spraken in tongen’, een teken van trance.

Vanaf ongeveer de vierde eeuw na Christus, toen de nieuwe religie vaste voet onder de grond kreeg, begonnen bisschoppen fel op te treden tegen met name extatisch feestende vrouwen, met hun losse haren, lustvolle ogen en luide gelach, schrijft Ehrenreich. De kerk zou de controle weleens kunnen verliezen. Om vergelijkbare redenen werd in later tijden sporten op zondag verboden. Sporten was zinloos tijdverlies en grote sportevenementen konden de openbare orde ook nog eens bedreigen.

Maar de niet-feestvierders zijn van oudsher niet alleen bang voor machtsverlies; ze voelen ook minachting voor mensen die zich zo laten gaan, schrijft Ehrenreich. En dat is altijd wel voelbaar tijdens internationale voetbalkampioenschappen. „Er rust toch ook een bepaald taboe op het zo openlijk tonen van nationaal patriottisme”, zegt Thomas Quartier, docent rituele studies aan de Radboud Universiteit Nijmegen. „Veel mensen schamen zich als hun landgenoten dat doen. Je ziet iets vergelijkbaars soms ook wel bij een grote pausmis, dat sommige katholieken daar juist niets mee kunnen.”

Het is volgens hem bij het voetbal niet zo dat vooral de lagere sociale klasse zich massaal in oranje hult en dat de hogere klasse daarop neerkijkt. „Dat is te simpel gedacht. Ook op de universiteit kleurt de hele koffiehoek tijdens het EK oranje.”

Er is weinig onderzoek gedaan naar wie er meedoen aan dit soort rituelen en waarom, maar het valt Quartier wel op dat mensen in Nederland meer uitgesproken achter hun land staan dan in bijvoorbeeld Duitsland, waar hijzelf oorspronkelijk vandaan komt. „Nederlanders hebben een bepaalde vrijheid en spontaniteit, die in het alledaagse leven verborgen blijft onder zakelijkheid, maar nu gewoon getoond mag worden. Nederland kent, door een sterke individualisering, bovendien weinig traditionele structuren, dus áls er een keer een uitlaatklep is om patriottische gevoelens te tonen, dan gebeurt het ook goed. En het is een klein land, dat de gelegenheid aangrijpt om een partijtje mee te blazen in het Europese orkest.”

Quartier noemt de voetbalvieringen een klassiek feestritueel. „Dat wordt gekarakteriseerd door gevoelens van saamhorigheid en uitbundigheid, met een welbepaald beginpunt en eindpunt. Het begint met de eerste wedstrijd waarin Nederland speelt, en het gaat door totdat de ploeg op Schiphol arriveert, zodat mensen ook de tijd hebben om eraan te wennen dat het weer voorbij is. Laten we hopen dat dat niet zondag al is.”

De uitbundige wijze waarop voetbal nu gevierd wordt, is overigens van vrij recente datum: rond de jaren zestig van de vorige eeuw, schrijft Ehrenreich – de carnavallisering van de sport, noemt ze het. En dat is niet neerbuigend bedoeld.

Integendeel: de Amerikaanse schrijfster betreurt het dat er maar zo weinig collectief feestgevierd wordt, op zo’n uitbundige manier dat we ons geen individu meer voelen, maar opgaan in de massa. Haar mening is dat zulke collectieve rituelen betere mensen van ons kunnen maken.