Het Binnenhof wordt vrouwelijker

Zal het parlement anders gaan functioneren nu er maar liefst vijf vrouwelijke fractieleiders zijn? „Vrouwen zijn creatiever, origineler.”

„Het is tijd voor een damesoverleg”, zegt fractievoorzitter van de Partij voor de Dieren Marianne Thieme. Met de verkiezing van Agnes Kant als SP-fractievoorzitter telt de Tweede Kamer nu een recordaantal van vijf vrouwelijke fractievoorzitters, die grote (Mariëtte Hamer van de PvdA), middelgrote (Femke Halsema, GroenLinks) en kleine partijen (Marianne Thieme, Partij voor de Dieren, Rita Verdonk van de lijst-Verdonk) aanvoeren.

Thieme mailde haar collega’s daarom gisteren een uitnodiging om eens samen te dineren. „Er was ooit een beroemd herenoverleg tussen Van Agt en Wiegel in het Haagse restaurant Le Bistroquet. Waarom zouden wij niet ook zoiets doen?” Ze heeft al „een paar positieve reacties” binnen.

Nederlands eerste vrouwelijke fractievoorzitter was Lizzy van Dorp, strijdster voor vrouwenkiesrecht. Ze vormde tussen 1922 en 1925 de eenpersoonsfractie van de Liberale Partij. Daarna kwam er heel lang niets, totdat er in de jaren tachtig opeens vier vrouwelijke fractievoorzitters waren: Ria Beckers (PPR en vanaf 1989 GroenLinks), Ina Brouwer (CPN), Andrée van Es (PSP) en Cathy Ubels (EVP)

Is er een stijlverschil tussen mannen en vrouwen op het politieke podium? Uit onderzoeken naar sekseverschillen op de werkvloer komt naar voren dat vrouwen empathischer zijn, minder strategisch denken en vaker conflicten mijden. Met geen van die eigenschappen kom je in de politiek ver, zou je zeggen. Jeltje van Nieuwenhoven, oud PvdA-Kamerlid en ’s lands eerste vrouwelijke Kamervoorzitter (1998-2002), ziet dat anders: „Vrouwen herhalen zich in debatten niet zoveel als mannen. Ze passen zich eerder aan, en onderbreken ter plekke hun eigen betoog als iets al door een ander is gezegd. Ze zijn creatiever, origineler. En ze houden zich beter aan de spreektijd.”

Van Nieuwenhoven (64), die met de loop der jaren tot haar eigen verrassing „alsmaar feministischer” wordt, heeft zich vreselijk geërgerd aan de vele „seksistische” reacties in de media op Kants opvolging van Marijnissen. „Ze werd voortdurend ‘een bijtertje’ genoemd. Wanneer wordt die term ooit gebruikt voor een man? Agnes Kant is een voorbeeldig Kamerlid, dat zich wel eens laat meevoeren door haar gedrevenheid.”

Het Haagse team van Thiemes Partij voor de Dieren bestaat momenteel vrijwel geheel uit vrouwen: tien stuks, op Eerste Kamerlid Nico Koffeman en een stagiair na. Thieme noemt dat „verfrissend”. Vrouwen zijn volgens haar „sterker op de inhoud gericht” en vertonen minder van dat „typische haantjesgedrag”. Vrouwelijke leidinggevenden als zijzelf geven volgens Thieme „veel ruimte voor persoonlijke ontwikkeling”. Een valkuil: ze weten minder goed dan mannen om te gaan met hiërarchische structuren.

Kants fractiegenoten passen ervoor om sekseverschillen te benoemen. Agnes Kant is in de eerste plaats „een persoon”, zegt SP-Kamerlid Sharon Gesthuizen. „Ik geloof best dat mannen en vrouwen een andere stijl hebben, maar dit soort posities bereik je alleen op eigen kracht. De SP is ook geen voorstander van vrouwenquota.” „Het zou seksistisch zijn te denken dat er met een vrouw aan het hoofd ook een andere cultuur in de fractie gaat heersen”, valt collega Harry van Bommel haar bij. Voor hem is Kant de „natuurlijke opvolger” van Marijnissen. Als leidinggevende noemt hij haar „ferm”.

VVD-fractievoorzitter Mark Rutte vindt Kant zelfs „minder aaibaar dan Marijnissen”. Arie Slob (ChristenUnie) verwacht niet dat Kant „ineens een zacht tintje aan haar leiderschapsstijl zal geven. Ze is behoorlijk fel in debatten. Dat zou je als mannelijke eigenschap kunnen zien. Maar dat is ook weer flauw om te zeggen.”

Kant zelf benadrukt „geen andere koers te gaan varen. Ik zou wel gek zijn”, verwijzend naar het grote electorale succes dat Marijnissen zijn partij heeft bezorgd. In het debat wil Kant wel „analytischer” worden, en dossierkennis vaker afwisselen met bredere, politieke statements. Thieme heeft nog een tip: van haar mag Kant vaker lachen. „Jan Marijnissen heeft het tot een kunst verheven om ook luchtigheid en humor in het debat te brengen”, zegt ze. „Agnes zie ik privé veel meer lachen dan in de Kamer. Het zou goed zijn als ze dat vaker toe zou laten.”