He, ho of bi

Of je op mannen, vrouwen of allebei valt, is te zien in de hersenen

Alfred Kinsey bleef onopgemerkt toen hij promoveerde op galwespen. Maar toen hij in 1948 Het seksueel gedrag van de man publiceerde en vijf jaar later Het seksueel gedrag van de vrouw , viel heel Amerika over hem heen. Hij ontwikkelde de ‘Kinsey-schaal’ die loopt van 0 tot 6, waarbij 0 staat voor exclusief heteroseksueel en 6 voor exclusief homoseksueel. Hij zou zelf een ‘Kinsey 3’ geweest zijn, biseksueel dus.

Waar je op die schaal terechtkomt, wordt tijdens de ontwikkeling in de baarmoeder bepaald door je genetische achtergrond en effecten van hormonen en andere stoffen op de zich ontwikkelende hersenen. Tweeling- en familieonderzoek laat zien dat je seksuele oriëntatie voor 50 procent genetisch bepaald is, maar door welke genen is nog onbekend. Het is op zichzelf wonderlijk dat een genetische factor voor homoseksualiteit in de loop van de evolutie in de populatie gehandhaafd blijft, terwijl deze groep zich minder voortplant. Een verklaring hiervoor is dat deze genen niet alleen de kans op homoseksualiteit vergroten, maar ook de vruchtbaarheid bevorderen. Als deze genen worden doorgegeven aan broers en zussen die heteroseksueel zijn, krijgen die meer nakomelingen dan gemiddeld, waardoor de genen blijven circuleren.

Hormonen en andere chemische stoffen zijn belangrijk voor de ontwikkeling van onze seksuele oriëntatie. Meisjes die in de baarmoeder hoge testosteronspiegels hebben door een bijnierafwijking hebben meer kans op bi- en homoseksualiteit. Tussen 1939 en 1960 is in de VS en Europa aan zo’n 2 miljoen zwangeren DES toegediend, een oestrogeenachtige stof, om een miskraam te voorkomen. Dat effect had DES overigens niet, maar dokters geven graag iets en patiënten willen nu eenmaal behandeld worden. DES geeft ook een verhoogde kans op bi- en homoseksualiteit bij meisjes. Blootstelling van het kind voor de geboorte aan nicotine, amfetamine of schildklierhormonen veroorzaakt ook een verhoogde kans op lesbische dochters.

De kans op homoseksualiteit neemt bij jongens toe met het aantal broers dat vóór hen werd geboren. Dit wordt verklaard door een afweerreactie van de moeder tijdens de zwangerschap op mannelijke stoffen die hun zoontje in de baarmoeder afgeeft. Zo’n afweerreactie neemt met elke zwangerschap van een zoon toe. Stress van de zwangere moeder verhoogt ook de kans op homoseksuele kinderen.

Hoewel er vaak verondersteld werd dat ook de ontwikkeling na de geboorte van belang zou zijn voor onze seksuele oriëntatie, ontbreekt hiervoor elk bewijs. Kinderen die opgroeien bij een lesbisch koppel zijn niet vaker homoseksueel. Er is evenmin enig bewijs voor de veelgehoorde opvatting dat homoseksualiteit een ‘lifestyle choice’ zou zijn.

De bovengenoemde factoren veranderen de hersenontwikkeling van het kind, met name van de hypothalamus die belangrijk is voor de seksuele oriëntatie. Wij vonden in 1990 het eerste verschil in de biologische klok van de hersenen, die bij homoseksuele mannen tweemaal groter bleek te zijn dan bij heteroseksuele mannen. In 1991 beschreef LeVay in de VS bij homoseksuele mannen een kleiner, vrouwelijk gebiedje in het voorste deel van de hypothalamus, en in 1992 vonden Allen en Gorski, ook in de VS, dat homoseksuele mannen een grotere links-rechts verbinding hebben via de bovenkant van de hypothalamus.

Met scanning worden nu ook functionele verschillen gevonden in de hypothalamus in relatie tot seksuele oriëntatie. Ivanka Savic gebruikt in Stockholm reukstoffen, feromonen, die in ons zweet en urine worden uitgescheiden. Feromonen beïnvloeden het seksuele gedrag zonder dat je ze bewust ruikt. Een mannelijk feromoon stimuleert de activiteit in de hypothalamus van heteroseksuele vrouwen en van homoseksuele mannen op dezelfde wijze, maar geeft geen reactie bij heteroseksuele mannen. Blijkbaar zijn die niet zo dol op zo’n mannenluchtje. Vervolgens bleek dat feromonen bij lesbische vrouwen een andere reactie teweeg brachten dan bij heteroseksuele vrouwen. Dit laat zien dat hersencircuits anders functioneren in relatie tot onze seksuele oriëntatie. Functionele scanning toonde ook activiteitsveranderingen aan in andere hersengebieden. Bij heteroseksuele mannen en homoseksuele vrouwen reageerden de thalamus en de prefrontale cortex sterker op het zien van een foto met een vrouwengezicht, terwijl deze structuren bij homoseksuele mannen en heteroseksuele vrouwen sterker reageerden op het gezicht van een man. We hebben dus veel structurele en functionele hersenverschillen in relatie tot onze seksuele oriëntatie en die ontstaan al in de baarmoeder, tijdens de tweede helft van de zwangerschap. Ze worden niet veroorzaakt door de dominante moeder die er altijd de schuld van kreeg.

Dick Swaab

Dick Swaab is hoogleraar in de neurobiologie van de Universiteit van Amsterdam. Hij is verbonden aan het Nederlands instituut voor Neurowetenschappen. Reacties en vragen kunt u sturen naar zbrieven@nrc.nl