Grote partijen net als middengroepen in knel

Ze lieten het niet merken. En dus werd er gesproken over respect of juist nadrukkelijk gezwegen. Maar heimelijk is er in de PvdA en VVD opgelucht ademgehaald dan wel gegniffeld.

Het tussentijdse vertrek van Marijnissen uit de voorste bankjes van de SP was een aangename verrassing voor de PvdA. Opvolgster Kant is vooralsnog immers minder geverseerd dan de oude leider en zal nog lang tegen dat imago moeten opboksen. Het conflict in de boezem van Trots op Nederland heeft het humeur van de VVD wat opgekrikt. De deze week geopenbaarde onmin tussen Verdonk en haar vertrouweling van het eerste uur illustreert dat je, zelfs zonder leden, nog ruzie kunt krijgen: over geld bijvoorbeeld.

Toch moeten PvdA en VVD niet te vroeg juichen. De problemen waarmee deze partijen kampen, zijn niet louter en alleen te herleiden tot de charismatische lokroep aan de flanken. Het centrum van de macht blijft aan erosie onderhevig. De beweeglijkheid van het electoraat weerspiegelt zich niet alleen in de opiniepeilingen die dagelijks worden gehouden en gepubliceerd. Ook de daadwerkelijke verkiezingsuitslagen vertonen dat woest wisselende beeld.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen in het voorjaar van 2006 stonden PvdA, SP en GroenLinks op 80 virtuele zetels in het parlement. Dat werden er uiteindelijk 65. Volgens een peiling van gisteren zouden er daarvan nu nog 51 over zijn. Ingrijpender is de onderlinge verschuiving. Voor het eerst in de geschiedenis is de PvdA er niet meer zeker van dat ze het linker kamp leidt.

Aan de andere zijde is het patroon niet anders. Eerst werd de VVD, mede door de 9 zetels van Wilders, gereduceerd tot 22 zetels. Gisteren zou de VVD twee keer kleiner zijn dan PVV plus Trots op Nederland. Het CDA kan ook niet rusten. Van de 41 zetels zouden er volgens de politieke barometer circa 30 overblijven. Als dit bewaarheid zou worden, is er geen gewone coalitie meer te vormen, zelfs geen ‘nationaal kabinet’ van CDA, PvdA en VVD.

Ook als de werkelijkheid zich straks minder rauw aandient, blijft een onderliggende tendens dominant. Het traditionele midden is bekneld, kalft af en heeft geen antwoord op de flanken.

SP en Trots op Nederland zijn natuurlijk niet identiek. De SP is een massapartij met statuten. Trots op Nederland wil een ongestructureerde beweging zijn. En de PVV is toegesneden op één leider. Maar daarmee is vooral iets gezegd over programma’s, mobilisatiemacht en persoonlijk charisma. En niet over onderstromen.

De uitholling van het politieke midden is óók het gevolg van nieuwe sociale verhoudingen. Met name de middengroepen verliezen hun cohesie. De industriële piramide, waarin de weg omhoog lineair was, bestaat al lang niet meer. Het postindustriële model, vergelijkbaar met een cognacglas waarin een tweederde meerderheid zich voorspoedig ontwikkelt, is ook passé. Een zandloper is nu een beter beeld om de sociale verhoudingen te tekenen. Dit beeld is bedreigend voor de middengroepen, omdat de smalle hals in het glas het optimisme op de proef stelt. Het wordt morgen kennelijk niet per definitie beter. Terugval is ook mogelijk.

Een van de gevolgen hiervan is dat de politieke partijen, die zich op het maatschappelijke midden oriënteren, niet meer zo zeker zijn van hun achterban. Uitgangspunten als individualisme, prestatie-ethiek, gemeenschapszin of internationalisme – vier van de vele trefwoorden waarmee de middenpartijen zijn te typeren – wankelen. CDA, PvdA en VVD antwoorden met programma’s die recht doen aan de complexiteit van de maatschappij maar ook hybride worden. Tegelijkertijd kunnen de concurrenten op de flanken doorgaan met hun eenduidige boodschap.

Deze spanningen waar partijen mee te maken hebben, zijn structureel van aard. Een leiderschapswisseling bij de ene en een weinig verheffende ruzie bij de andere partij bieden slechts even soelaas. Zolang middengroepen zich bekneld voelen, blijven de grote drie van weleer ook knel zitten. Bevrijding uit die klem vergt meer tijd dan een tactische wending naar deze of gene zijde.