Een stukje tapijt

Studiedagen zijn over het algemeen de enige dagen dat ik overweeg het onderwijs te verlaten. De leerlingen zijn thuis en de docenten krijgen les. Het is niet vaak dat je aan het eind van zo’n dag vol inspiratie of begeesterd naar huis gaat. In de afgelopen dertien jaar kan ik mij slechts één dagdeel herinneren dat ik daadwerkelijk iets heb geleerd, van een directeur van een roc.

Hij vertelde het verhaal van zijn school. Hoe zijn meao verwerd tot roc, van witte naar zwarte school, van school gericht op kennisoverdracht naar school gericht op sociale vaardigheden. De ommekeer kwam met het in brand steken of met hakenkruizen bekladden van de vloerbedekking in de kantine. Het team is toen in spoedzitting bijeen gekomen en er is een besluit genomen over een nieuwe aanpak. Hij had een klein stuk van het tapijt bewaard als aandenken aan die belangrijke dag en ingelijst op zijn kantoor gehangen. De nieuwe aanpak hield in dat er een grote schifting plaatsvond tussen de welwillende leerlingen en de anderswillenden. De anderswillenden kregen een ander gebouw.

Er werd een team geformeerd rond deze laatste groep. De docenten hadden een keuze. Er werd een meneer aangenomen die op zijn scooter ’s ochtends de uitslapers of in potentie spijbelaars uit hun bed haalde en mee naar school nam. Te laat komen werd niet bestraft, maar de angst om met een scootertje opgehaald te worden, die ‘schande’, was voor menigeen genoeg om te zorgen er dan maar te zijn. Het feit dat dit team de anderswillenden een kans is blijven geven, doet hen wat mij betreft allemaal in aanmerking komen voor een LC-functie [een hoge schaal, red].

Men schijnt nu speciale scholing aan te bieden aan leraren in spe om met onder meer vmbo-leerlingen om te gaan. Op zich een goed initiatief, maar je houdt je hart vast, want, om het op z’n Máxima’s te zeggen: dé vmbo-scholier bestaat niet.

Veel van mijn collega’s doen het niet volgens het boekje, maar redden het wel met die leerlingen. Zoals collega Rivièra, die in vet Amsterdams tegen een van haar leerlingen, die weigerde zijn vodje van een sollicitatiebrief voor een stageplek te herschrijven, zei: “Luister, Geraldo. Eén: je bent Antilliaan, twee: je hebt een gouden tand, jij moet een hele goede brief schrijven.” Geraldo’s klasgenoten konden niets anders doen dan dat beamen, al deze motorvoertuigtechniekers i.o. erkenden het belang van een goede brief. En dat is een begin.

Joyce de Grand