Een paar borrels op en Hans belandt in een zwart gat

Eigenlijk is Hans een aimabele man. Tot hij drank op heeft. Dan krijg je dronkemanspraat, volgens zijn advocaat. En dat is zacht uitgedrukt.

In de wachtruimte van de rechtbank stort Hans S. uit Amsterdam zijn hart uit bij zijn advocaat. Ze zitten aan een tafel voor de deur van de rechtszaal. De zaak vóór die van Hans loopt uit. Het wachten duurt lang. Hans (43) grijpt de vrijgekomen minuten aan om het over zichzelf te hebben. Dat hij af en toe „over de rooie gaat”, „door het lint”, dat hij „vlekken voor zijn ogen krijgt”. Hij kan er niks aan doen, het overkomt hem gewoon. Zeker met een slok op. Achteraf heeft hij altijd spijt, als hij zich al kan herinneren wat hij precies heeft aangericht. Zijn neef, zegt hij, heeft precies hetzelfde. Dat is eigenlijk ook een goeie gozer. De advocaat knikt, en sms’t ondertussen geconcentreerd door. Het deert Hans niet.

Aan de andere kant van de wachtruimte zit een man met een klein, zwart, driehoekig sikje. Dat is meneer Harshan. Hij is, zoals zal blijken, de eigenaar van de Mercedes die door Hans beschadigd is. Hij stond er tegenaan te schoppen. Dat was nadat hij een café was uitgezet.

Hans wordt de zaal binnengeroepen. Hij kruist het pad van Harshan. Hans lijkt hem niet te herkennen, maar beseft blijkbaar dat dit wel eens de man zou kunnen zijn wiens auto hij molde en die een flinke schadevergoeding van hem eist. Hans steekt joviaal zijn hand uit. „Mijn hartelijke excuses.”

Later komt er nog een man de rechtszaal binnen. Ook slachtoffer van de goeie gozer die Hans zegt te zijn. Het is meneer Gamari, eigenaar van een kroeg op de Kinkerstraat. Hij serveerde Hans rond half acht ’s avonds negen bier, en nog een paar extra om hem te kalmeren toen hij ruzie kreeg met de andere gasten. Pas toen Hans op de vloer braakte, besloot Gamari hem eruit te zetten. Hans beloofde hem daarop eerst zijn dochtertje, dan zijn zoontje en dan hem dood te komen maken.

De officier van justitie heeft nog een paar misdragingen van Hans verzameld. Op het politiebureau, na het incident in het café van Gamari schold hij de agenten uit. Vuile kankerhond. Tyfushond. Hij bedreigde ze: ik snij jullie gezicht open. En hij urineerde op de grond. Toen hij de volgende ochtend met een knevelpak aan wakker werd in zijn cel kon hij zich niets meer herinneren. En nu eigenlijk ook niet meer. Het is één groot zwart gat. Hij weet wel dat het hem verschrikkelijk spijt en dat hij alles wat hij heeft gezegd in het echt natuurlijk nooit zou doen, en dat hij nogmaals iedereen de hartelijke excuses wil doen.

Zijn advocaat zegt het ook: eigenlijk is Hans een aimabele man. Het slechte komt pas naar boven met een borrel op. En ja, wat krijg je dan: dronkemanspraat. Dat de beide heren in de zaal de bedreigingen serieus namen, dát kan de advocaat zich best voorstellen. Hoewel je natuurlijk kunt zeggen dat een hond die blaft niks doet. Maar de agenten, dat ligt wat hem betreft wat anders. Hans is vast niet de eerste die ze starnakel bezopen in een cel moeten duwen. Het gescheld en gedreig hoort bij de nare kanten van het beroep van politiefunctionaris. Hij kent ook agenten die het „als modder van zich af laten glijden”. En, eerlijk is eerlijk, ze hebben Hans niet al te zachthandig aangepakt.

Ik zou u wel eens willen zien, zegt de rechter, als het zo mis gaat met u. Want zoals hij er nu bij zit, zo rustig, is het bijna niet voor te stellen. Dat brengt Hans op zijn eigen problematiek: zijn drugsverleden, zijn huwelijk dat stukliep. De verveling. De drank. De schulden. En al die ellende komt boven, ziet u.

Maar nu is hij goed bezig. Hij is, ambulant, onder behandeling voor zijn problemen. Hij krijgt valium van de psychiater. En als hij nu drinkt, zijn het hooguit twee biertjes op een bankje. De kroeg gaat hij niet meer in. Al drie maanden niet meer. En hij wil benadrukken dat niemand bang voor hem hoeft te zijn. Hij is een goedzak. En hij wil óók wat van zijn leven maken.

Juist, kapt de rechter hem af. „Maar we gaan eerst even afrekenen.” De schade aan de auto, meer dan 1.000 euro, die moet hij vergoeden. En hij krijgt honderd uur werkstraf. Dan heeft Hans meteen regelmaat en een dagindeling.

Als Hans de zaal uitloopt, geeft hij terloops meneer Gamari, de café-eigenaar, een hand en zegt: „Nog mijn excuus.” Gamari, die ook een schadeclaim had ingediend, maar niks krijgt omdat zijn schade niet in geld valt uit te drukken, blijft ontredderd achter. Ik heb kleine kinderen, fluistert hij. Ze kunnen hun vader nog niet missen.