Dom en onnozel

Hoe veelvuldig gebruik van internet het vermogen tot concentratie en contemplatie ondermijnt. „Ik denk niet meer zoals ik vroeger dacht.”

Toen ik, een jaar of zes, zeven geleden mijn televisie de deur uit deed, verwachtte ik daar niet zo veel van behalve meer tijd voor interessantere zaken. Ik keek toch al nooit, en bijna alles wat belangrijk is, is terug te vinden op internet. Voor de echt onmisbare programma’s had ik vrienden-met-televisie. Er bleken maar heel weinig van die echt onmisbare programma’s tussen te zitten. Bovendien is televisie bepaald niet het efficiëntste medium om nieuws over te brengen. De uren die anderen gemiddeld voor de buis hingen, bracht ik door met vrienden, in de bioscoop, op een terrasje of gewoon met een boek. Je sociale leven frist er danig van op, geen televisie.

Wat ik me niet direct realiseerde is dat het aantal uren dat ik op internet, dat andere scherm, doorbracht, ook exponentieel zou stijgen, dit ondanks mijn hardnekkige weigering om iets met sociale netwerksites als Facebook te maken te hebben. Internet is nu eenmaal een onweerstaanbaar snelle en efficiënte informatieverstrekker en research tool, en is in de afgelopen jaren een van mijn voornaamste bronnen geworden. Zelfs de kranten lees ik (noodgedwongen weliswaar want in het buitenland) op internet. En dat levert vreemd gedrag op.

In het nieuwe nummer van de Atlantic Monthly staat een lang artikel van Nicholas Carr met de titel ‘Is Google Making Us Stupid? What the Internet is doing to our brains’. Hij beschrijft daarin een intrigerend fenomeen. Net als HAL, de supercomputer die aan het eind van Kubricks 2001: A Space Odyssey zijn oude ‘brein’ voelt verdwijnen, zo voelt Carr zich de laatste jaren alsof iemand zijn hersenen aan het herprogrammeren is. „Ik denk niet meer zoals ik vroeger dacht”, schrijft hij. Kortgezegd, Carr veranderde van een eens verwoede lezer in iemand die zijn aandacht niet meer bij een stuk langer dan een paar alinea’s kan houden: „Het diepe lezen dat een tweede natuur voor me was, is een worsteling geworden.” Carr moet zijn brein steeds ‘terugslepen’ naar de tekst. En hij wijt dit aan zijn gebruik van het internet de laatste jaren als zijn voornaamste bron van informatie, entertainment of gewoon doelloos springen van link tot link.

Wat als Marshall McLuhan, en Carr met hem, gelijk heeft en het medium inderdaad onze manier van denken vormt geeft? Het is een verontrustende gedachte. „Wat het Net lijkt te doen is te knagen aan mijn capaciteit voor concentratie en contemplatie. Mijn hersenen verwachten nu informatie tot zich te moeten nemen op de manier waarop het Net het verspreidt: in een snel bewegende stroom van kleine deeltjes”, aldus Carr.

Het komt me maar al te bekend voor: het liefst zit ik, met een venster of tien tegelijk open, het nieuws te scannen, waarbij ik in de langere artikelen op een neer spring naar andere vensters. Echt belangwekkende en lange teksten worden opgeslagen in de favorieten, in ‘te lezen artikelen’, ‘te lezen’, ‘interessant’ en zo nog wat mapjes, om vervolgens zelden tot nooit meer ingekeken te worden. Het stuk van Carr zelf is een uitstekend voorbeeld, met ruim 4000 woorden. Het is dat ik eruit wilde citeren, maar het kostte me meerdere pogingen en echt doorbijten om het essay in zijn geheel in één keer op mijn scherm uit te lezen. En dat ligt niet aan Carrs schrijfstijl, die uitstekend is.

Het CIBER research team van University College London presenteerde eerder dit jaar een onderzoek waaruit bleek dat mensen de neiging hadden om teksten op internet „af te romen”. Zowel kinderen, studenten als hoogleraren bleken ongeduldig op internet en op zoek naar instant bevrediging van de informatiebehoefte. Diagonaal ‘lezen’ was een leeftijdsoverschrijdend fenomeen.

Misschien is het niet zo gek, Carrs hypothese dat zijn brein fysiek veranderde door het internet. Lezen is tenslotte geen aangeboren vaardigheid, en verschillende soorten taal (alfabet, ideogrammen) leiden tot verschillende patronen in de hersenen. Carr citeert een psychologe die stelt dat onze eis van ‘onmiddellijkheid’ en ‘efficiëntie’ niet alleen ons vermogen om diep in de tekst te duiken aantast maar misschien zelfs tot een ander soort persoonlijkheid leidt.

Bovendien is oppervlakkigheid en een korte aandachtsspanne ingebouwd in de architectuur van het Web. Hoe sneller we naar hoe meer pagina’s doorklikken, hoe meer banners en advertenties we onder ogen krijgen. Oude media passen zich intussen noodgedwongen aan aan die korte aandachtsspanne die wordt gecreëerd door de nieuwe media.

Het CIBER-onderzoek kwam met nog een conclusie, niet door Carr genoemd. De jongere generatie internetgebruikers blijkt een onbeperkt vertrouwen te hebben in digitale bronnen, zonder te beschikken over de vaardigheden of analytische vermogens om die bronnen op juiste waarde te schatten. Hetzelfde bleek uit een artikel van eind april in de Washington Post, met de titel ‘Truth: Can You Handle It?’ Amerikaanse studenten gebruiken geen boeken meer voor onderzoek, en zijn er ook totaal niet in geïnteresseerd of hun informatie wel klopt, als die maar snel op het Web te vinden is.

Google maakt ons dus niet alleen dom, het maakt ons ook nog eens onnozel. Een goed idee, misschien, om zo nu en dan eens de stekker eruit te trekken.

Corine Vloet