De stelling van Rosa Jansen: Er zijn ‘academische’ rechtbanken nodig

Moeten rechters die iemand ten onrechte veroordelen zelf een sanctie krijgen? Strafrechter Rosa Jansen in gesprek met Folkert Jensma over streng straffen en eigen wijsheid van rechters.

Mr. Rosa Jansen is voorzitter van het College van Bestuur van SSR, het studiecentrum voor de rechterlijke organisatie; voor rechters, officieren van justitie en ondersteunende medewerkers. Foto’s Leo van Velzen Utrecht, 12-06-08. Rosa Jansen, rechter. Foto Leo van Velzen NrcHb. Velzen, Leo van

Welke conclusies trekt u uit de foute vonnissen in de Puttense moordzaak en de Schiedamse parkmoord?

„Eén conclusie valt er niet te trekken. Wat strafrechters heel erg bij blijft uit de Schiedamzaak is dat een bekennende verdachte het toch niet heeft gedaan. Voor ons was dat, in deze omvang, wel een eye opener. Dit was een megazaak, met ervaren rechters. Er was veel tijd voor beschikbaar. Er zijn honderden getuigen en deskundigen gehoord. En toch gebeurt dit. Dit wil je als strafrechter niet meemaken.”

Kan de rechter nog wel door een dossier heen prikken?

„Het dossier dat je krijgt is kant en klaar. Wij doen nog maar een heel klein stukje onderzoek, op de zitting, of door de rechter-commissaris in het vooronderzoek. Misschien is dat tien procent van het geheel. Het is beperkt. Onder de invloed van Europa neemt het wel toe. Maar als we het echt anders gaan doen loopt het hele strafsysteem stuk. Ik schat dat in de helft van de zaken de verdachte al heeft bekend. Dat is een gegeven – maar je neemt het niet kritiekloos over. Dat heeft ‘Schiedam’ wel los geschud.”

Zijn rechters wel streng genoeg voor elkaar bij fouten?

„Rechters zijn secure werkers, ze willen het perfect doen. Het is triest dat we zo wakker geschud moeten worden. Iedereen is nu extra alert. Tijdens intervisie (collegiale beoordeling; red) zijn we heel streng voor elkaar. Tsja, en dan die ‘fouten’. Ik blijf jurist. Uiteindelijk hebben we die mensen op basis van voldoende bewijs veroordeeld.”

Het was dus geen fout?

„Nee, dat zeg ik niet. Er was alleen voldoende juridisch bewijs.”

Dan deugen de criteria voor ‘voldoende bewijs’ niet.

„Het is veel complexer. Je kunt bij iemand uitkomen op basis van materiaal dat is aangeleverd door OM en politie. En waar we toch niet zien dat er één of ander zwart gat in zit.”

Als u maar tien procent bijdraagt dan moet dat dus meer worden.

„Als je dit meemaakt ben je geneigd om getuigen opnieuw te gaan horen, om meer deskundigen op de zitting te vragen. Dat zie je nu ook gebeuren. Uiteindelijk heeft horen ter zitting altijd toegevoegde waarde. Alleen heeft de samenleving niet voor een systeem gekozen waarbij het accent veel sterker op de zitting ligt.”

Was er meer tijd en meer controle door de rechter nodig geweest?

„Ik weet niet of je het had kunnen voorkomen. Ik heb die vonnissen gelezen en mij afgevraagd wat er nou nog méér te overwegen viel dan dit.”

Dat is een wanhopige constatering.

„Of het is een fact of life.”

De eerste cursus bij SSR die u organiseert heet natuurlijk Schiedam en Putten – wat leren wij ervan.

„Die cursussen zijn er. Ik zie veel meer aanvragen om extra getuigen te horen op zitting, extra deskundigen. Meer contra expertise.

De rechter is het openbaar ministerie (OM) veel kritischer gaan bevragen. Er worden zaken teruggestuurd. Er is veel meer scherpte. We zitten er bovenop. Ik hoop echt dat je het dan kunt voorkomen. Maar zeker weten, kan ik het niet. Er zijn meer professionele beroepen waarin fouten worden gemaakt. Wij willen graag onfeilbaar zijn. Maar dit zou zomaar weer kunnen gebeuren. Dat is dan niet de falende rechter, maar de falende mens. Je moet dan wel nadenken over wat er moet gebeuren. En dat hielden we in het verleden verre van ons. Ik zeg dan: laat die rechters niet almaar zittingen draaien maar laat ze reflecteren, onderwijs volgen.”

Als in een zaak als Schiedam of Putten beroepsfouten zijn gemaakt dan horen daar sancties op te staan.

„Naarmate de verwijtbaarheid groter wordt moeten we daar naar kijken. Als het richting opzet gaat, moet er actie worden ondernomen. Daar moet je met elkaar heel streng naar kijken. Daar ben ik het mee eens. Zo hoort het.”

Op 90 procent van het dossier heeft u geen invloed. Hoe kijkt u dan tegen politie en OM aan?

„De rechter kan alleen z’n werk goed doen als het onderzoek breed en evenwichtig is gedaan. Naarmate men daar de hand mee licht, wil je als rechtspraak verder in de keuken kijken. Je hoeft dit maar een paar keer mee te maken en het wantrouwen groeit. Dan krijg je dat rechters het ‘zo niet willen aannemen’. Er is meer scherpte aangebracht. Je ziet dat het OM hiërarchisch onder grotere druk is komen te staan, ook uit de politiek. Rechters moeten dus kritischer worden. Dat praten over de ‘strafrechtelijke ketenpartners’ is mij te gezellig. We moeten als rechters hard op onze eigen positie letten.”

Maakt u zich meer zorgen over politie en OM dan over de rechters?

„Ik begin altijd met zorgen over mezelf. Ook wij kunnen nog wel stappen nemen. Houden wij als rechters aansluiting met de burger? We krijgen via het OM een heleboel op ons bord. Maar zijn we daar wel op toegerust? Iemand wiens rijbewijs is afgepakt wil net zoveel aandacht als een drugsbaron. In tachtig procent van de zaken wordt geen hoger beroep ingesteld. Toch zetten we de meest ervaren rechters bij de gerechtshoven en de Hoge Raad. Ik vind dat die in de eerste lijn moeten zitten: bij de rechtbanken moeten de beste rechters zitten.

„Ziekenhuizen hebben daar beter over nagedacht. Al onze rechtbanken zijn hetzelfde. Waarom zouden wij ook geen streekrechtbanken hebben, waar strafzaken die dichtbij de burger staan snel worden afgewerkt? En ‘academische strafrechtbanken’ waar zwaargewichten zitten met veel ervaring?”

Specialisatie betekent ophouden met rouleren. In ziekenhuizen is de dokter ook niet eerst anesthesist en dan een paar jaar oogarts.

„Klopt, zo doen ze dat bij de politie, het OM en de advocatuur ook. Die zijn super gespecialiseerd. Wij hebben een soort gelijkheid die zijn grenzen niet kent. Dat knelt in het strafproces meer en meer.”

De burger vindt dat de rechter te licht straft, blijkt jaarlijks uit onderzoek. De crisis burger-overheid strekt zich dus ook tot de rechters.

„Ik kan niet de temperatuur nemen van zo’n crisis. Ik lees erover en maak me zorgen. Iedereen zit bovenop de rechtspraak. Het is wel een beperkte groep die aan het woord is, hoor. Een héle beperkte groep. Parlementariërs zouden nu en dan ook eens moeten nadenken over de schade die zij berokkenen. Maar ik ben de laatste om hen de mond te snoeren. Debatten over incidenten die steevast eindigen met een pleidooi om de wet te veranderen – daar denk ik het mijne van. Is dat nou het enige wat ze kunnen verzinnen? Als we elke week een nieuw stuk wetgeving voorbij zien komen dan draaien we daar op stuk. Dat kan niemand bijhouden. Maar ik neem het wel serieus, dat is toch het minste.

„We proberen hier in Utrecht het breder te bekijken. Laat de feedback maar komen – we laten de mensen hier komen, we gaan naar scholen. We moeten transparant zijn, controleerbaar. Jeugdzittingen zouden bijvoorbeeld ook openbaar moeten zijn. Dat past ook veel beter in het Europese stramien.”

Rechters zijn in het maatschappelijk debat onzichtbaar.

„In de allereerste plaats moeten onze vonnissen in orde zijn. Dat is wat we écht doen. En gaan we daarna politici tegenspreken? Ik vind het niet fout om er af en toe eens bij te gaan zitten. En zaken te weerleggen die alleen jij weet. Er wordt veel over ons gesproken, door advocaten en hoogleraren. Mag ik misschien zelf wat over m’n eigen beroep zeggen? Ik ben fulltime rechter! Ik weet wat we doen en waarom.”

Ik geef u een eenvoudig advies: ga zwaarder straffen.

„We zijn niet doof voor de omgeving. We voeren de wet uit. En we zijn ook harder gaan straffen. Het soort criminaliteit is veranderd. We luisteren. We zijn ook burgers. Maar als het erop aan komt dan kijk de rechter naar déze zaak en naar dit individu. En dan krijgt die rechter maar kritiek over zich heen. Maar die kan wel uitleggen waarom deze man deze straf krijgt.”

Waarom zegt u de burger niet heel duidelijk: we stellen onze lijst met strafindicaties naar boven bij.

„Dat bespreken we. Maar niet zó grofmazig. Een algemene oproep om strenger te straffen vind ik echt te populistisch. Wij kijken naar onze lijst en vragen ons af of we nog op het juiste spoor zitten. Mensenhandel, kinderporno, cybercrime – de politiek schuift dat naar voren. Daar kijken we dan naar. Maar zo’n lijst is geen automaat waar je twee kwartjes ingooit, waarna er een rol drop uitkomt. In elke individuele zaak hoop ik dat de rechters eigenwijs zijn, en eigen wijsheid hebben.”