De PvdD gelooft in strikte scheiding van kerk en staat

Kan een seculiere partij ethische afwegingen maken zonder dat er argwaan ontstaat over de achtergrond van die afweging? Wie het stemgedrag van de Partij voor de Dieren volgt, ziet dat er sinds haar entree tien moties over ethische kwesties in stemming kwamen waarin de partij koos voor de meest liberaal-progressieve stellingname. De PvdD hoeft daar geen erkenning voor, is gewoon een seculiere partij die zich door geen enkel religieus standpunt laat beïnvloeden. We maken als partij (waarin christenen, atheïsten, agnosten, moslims, hindoes en boeddhisten samenwerken) onze eigen keuzes gebaseerd op mededogen en duurzaamheid.

In het vraagstuk rond embryoselectie hebben we aangegeven zeker niet principieel tegen te zijn, maar wel een maatschappelijk debat te willen over de kaders van embryoselectie. Waarbij we de huidige praktijk als uitgangspunt zouden willen nemen.

‘Moet alles wat kan ook kunnen’, was de indringende vraag die koningin Beatrix in 1990 in haar kersttoespraak stelde. Over die vraag gaat het in het debat over embryoselectie. En nu dus ook over de vraag of een seculiere partij tot ethische keuzes kan komen zonder verdacht gemaakt te worden.

Tientallen Kamerleden zijn lid van een kerk waarin de leider onfeilbaar is, waarin condoomgebruik, pilgebruik, abortus, euthanasie en homohuwelijk als onbespreekbaar worden afgewezen. Die politici wordt dwingend opgelegd dat ze volgens de ethische overwegingen van hun kerk moeten stemmen, los van de vraag of ze zich daaraan houden.

Dat is hun eigen keuze die ze gelukkig kunnen maken in een land met godsdienstvrijheid. Ik geloof niet in kerkvaders die een beslissende stem hebben in de ethische keuzes van politici. Ik geloof in seculiere politiek en een strikte scheiding van kerk en staat.

Dat is ook de reden waarom ik me niet aangesproken voel door de gossip over embryoselectie en de Partij voor de Dieren.

Marianne Thieme

fractievoorzitter van de Partij voor de Dieren in de Tweede Kamer