De finale

Er zijn nog wel mannen die grapjes maken over de dood, zelfs als ze door kanker zijn leeg gevreten. Daar kan geen dieet tegenop. Je kent ze nauwelijks meer terug en ze ademen snel en oppervlakkig. Zo gaat dat soms.

Ze zijn er nog. Mannen die grapjes maken als ze door kanker leeg gevreten zijn. Spelen met de dood. Zo gaat dat in een dorp. Soms.

Ik schrik. Dat zal hij ook doen als hij in de spiegel kijkt. Schrikken. Daarom lacht hij naar me. Herkenning. Ik zie, ik zie wat hij óók ziet. Ik ken hem nauwelijks terug. Een half jaar geleden tenniste hij nog. Heb hem nadien niet meer gezien.

Zijn vrouw laat z’n rolstoel uitdrijven. Drie mensen in een gezond park. Ze zwijgt.

„Had je niet gedacht hé?” Zijn stem klinkt dun, maar triomfantelijk.

Ik dacht eigenlijk heel weinig aan hem. Hij viel niet op bij de tennisclub. Zo eenvoudig was hij. Niet ad rem aan de bar en een middelmatige backhand.

„Twintig kilo afgevallen. Kan geen dieet tegenop.” Hij wil het leuk houden. Ik zie een merkwaardige glans in zijn ogen, nee, óp zijn ogen. Alsof het leven zich in zijn regenboogvlies heeft teruggetrokken. Hij is ten dode opgeschreven. Ik ken die blik.

„Ik schrik me een ongeluk Kees. Wat is er met jou gebeurd?” De zon vult zijn ingevallen wangen op met donkere schaduwen.

„Niks! Met mij is niks gebeurd. Ze hebben er alleen wat overbodige spullen uitgehaald, de zaak dichtgenaaid en voor de rest weten ze het ook niet.” Hij ademt snel en oppervlakkig. Het was ook een lange zin en hij sprak hem krachtig uit.

Zijn vrouw kijkt in de verte. Berustend. Ze heeft het allemaal al gehoord. Niet tegen in gaan. Wat heeft het voor zin? Je maakt het alleen maar erger. Dus zwijgt ze.

„Weten ze het niet? Hoezo weten ze het niet.” Hij haalt zijn schouders op en kijkt van me weg. Zijn vrouw neemt de opengevallen plaats in. In één oogopslag, afgerond door kort samengeknepen lippen en een nauwelijks merkbaar schouderophalen maakt ze me deelgenoot van de ernst van de situatie. Hij is opgegeven maar doet of er niks aan de hand is. Hij wil het niet weten, seint ze.

Er valt een stilte. Een fatale stilte. Hij slikt. Haar mond een dunne streep. Een vrachtwagen trekt op. Ik kijk weg. De zon verdwijnt achter een wolk. Er wordt geen verlossend woord geboren. Hij ontzegt zich elke zwakheid. Dan is het moeilijk om nabij te zijn.

„Ik hoop dat ze tegen Duitsland in de finale moeten”, zegt hij en kijkt me aan. Smekend bijna. Zijn stem is merkwaardig zacht. Hij biedt me een speelveld aan waarop het veilig toeven is.

„Ik hoop het ook”, zeg ik.

„Het zal er tegenaan gaan”, meent hij.

Ik haal diep adem. De geuren in het park kan ik bijna proeven.

„Tegen de Duitsers, dat is op leven en dood”, zeg ik. Hij hoeft mijn voorzetje maar in te koppen, maar hij kijkt wel uit. Hij deserteert, oog in oog met zijn grootste vijand. „Ik ga verder”, zegt hij. Ik vind het profetische woorden.

We verwijderen ons van elkaar en na tien meter valt het kwartje. Ik sta stil en draai me om.

„Ze”, zei hij… niet „we.” „Zé moeten tegen Duitsland.” Hij wéét het verdomme. Hij heeft al afscheid genomen. Verbaasd kijk ik hen na. Kijk tegen haar rug aan. Zie twee dunne bandjes. Eentje links en eentje rechts van haar.

Hij wéét dat hij een finale haalt, maar niet de goede.