Automatentrouw

De ontluikende liefde tussen robot en mens roept een probleem op: hoe moet je een lovebot programmeren? Met of zonder eeuwige trouw? Op een robotcongres in Maastricht raakten de wetenschappers in verwarring. Ellen de Bruin en Carola Houtekamer

Gigolo Joe (rechts) is een robot om lief te hebben, in Spielbergs film AI. Niet alleen voor andere robots, zoals Jane (links). foto studio/produzent

U bent eenzaam, u verlangt naar een geliefde en u heeft genoeg geld om niet de complexe zoektocht naar een passend mens te hoeven ondernemen. U neemt een robot. De plaatselijke dealer biedt u de keuze tussen twee mogelijke levenspartners: ReliaBot en FreeBot. Het voordeel van een ReliaBot, vertelt de verkoper, is dat hij of zij – dat hangt af van de uitvoering – u nooit zal verlaten. Want de ReliaBot is betrouwbaar en biedt onvoorwaardelijke liefde. ReliaBot dreigt af en toe wel op te stappen als de sleur intreedt of als u hem slecht behandelt, maar dat is om het spannend te houden. U weet zeker dat hij nooit bij u weggaat.

Het tweede type is interessanter. De liefde van FreeBot kent grenzen. Misbruikt u hem keer op keer of zet u hem wekenlang in de meterkast, dan schakelt hij zichzelf uit en belandt hij in een permanent non-responsive mode. FreeBot wil bemind worden, anders stopt hij ermee, net als een echt mens.

Dylan Evans, onderzoeker aan het informaticadepartement aan het University College in Cork, bedacht de twee typen ‘liefdesbots’ als gedachtenexperiment – of beter gezegd: als argumenten in een discussie over liefde. Tijdens een symposium over persoonlijke relaties tussen mensen en robots, eind vorige week in Maastricht, hield hij een zaal vol computerwetenschappers de keuze tussen een FreeBot en een ReliaBot voor. Ware liefde tussen mens en robot, wil hij ermee aantonen, is een illusie. “Onze eisen aan een robotgeliefde zijn tegenstrijdig”, zegt hij. “We willen een robot die vrij is en ons tegelijkertijd nooit verlaat.”

Want wat kiest u? Het voordeel van ReliaBot: u weet dat deze prijzige aankoop u jarenlang plezier zal geven. Maar u vreest uzelf: tegen iemand die niet weg kán, kunt u wel eens heel gemeen gaan doen.

De vraag is dan of u bereid bent een smak geld te betalen voor iets dat op eigen initiatief in een stuk dood schroot kan veranderen. En wat als de dure FreeBot erachter komt dat u te chanteren bent met het zinnetje: “Als je zo doorgaat, zet ik mezelf voorgoed uit”? Een robot die dreigt met zelfmoord; dat is een heel nieuw soort romantiek.

De discussie over lovebots kwam eind vorig jaar pas goed op gang. Toen betoogde de Britse schaakgrootmeester David Levy in zijn proefschrift dat er geen fundamentele argumenten bestaan tégen het idee dat mensen in de toekomst liefdesrelaties en seksuele relaties zullen hebben met machines. De vraag is niet óf dat zal plaatsvinden, maar wannéér, aldus Levy, die promoveerde in Maastricht en het symposium van vorige week mede organiseerde.

Vanuit de zaal reageert Levy een tikje nors op de kritiek van Evans. “In mijn proefschrift zeg ik al dat een robot de mogelijkheid moet hebben zijn eigenaar te verwerpen. Als je dat wilt, moet je de parameters anders kunnen instellen en tegen je robot kunnen zeggen: wees minder onderdanig.”

Dit antwoord roept weerstand op. “Maar dát is geen autonomie”, klinkt het uit de zaal. Instemmend geknik. Een toehoorder, gepassioneerd: “De aard van verlangen is dat we niet op voorhand weten wát we verlangen.” En over welke soort liefde hebben we het eigenlijk, roept een ander. “Agapè, phileo? [Respectievelijk altruïstische en broederlijke liefde, red.] Je doet trouwens alsof liefde altijd goed is, maar liefde kan ook negatief zijn.”

En zo ontleedt de conferentie met dertig wetenschappers uit verschillende disciplines net na de koffiepauze het concept ‘echte liefde’, aan de hand van de robotminnaar.

knuffelrobot

Het is géén speculatieve sciencefiction dat we ons hechten aan slimme apparaten. De neiging om intenties en gevoelens toe te schrijven aan levenloze voorwerpen zit diep ingebakken, vooral als het voorwerp lijkt op een mens of dier en enigszins slim op ons reageert.

Mensen die lang op ziekenhuisafdelingen verblijven, zijn minder eenzaam als het robothondje Aibo er rondloopt, bleek uit een studie. En patiënten met Alzheimer en kinderen zouden beter kunnen ontspannen door contact met het therapeutische knuffelrobotzeehondje Paro.

Critici wijzen erop dat deze effecten misschien ook verklaard kunnen worden door de aanwezigheid van de robotonderzoeker. Maar toch. Er zijn aanwijzingen dat mensen zelfs gehecht raken aan een aangeschafte stofzuigrobot. Voor de Roomba, een zuigende schijf, bestaan tientallen fansites – google maar eens op ‘love roomba’. Fabrikant Electrolux van zuigbot Trilobite claimde in het technologieblad Wired dat sommige gebruikers eisen dat ze hun eigen robot terug krijgen na reparatie, en niet een vervangend exemplaar.

Er is zeker een markt voor robots waaraan we ons emotioneel hechten, zegt hoogleraar kunstmatige intelligentie Yorick Wilks, van de universiteit van Sheffield, in de pauze van de conferentie. Wilks doet onderzoek naar virtuele, pratende ‘maatjes’. “Oudjes in Japan zijn één groep afnemers”, zegt hij. “Die zijn eenzaam, maar ook heel belangrijk in die cultuur. Dus wordt er veel geld in robots voor ouderen gestoken. Je ziet dat een groot deel van het robotonderzoek uit Japan komt.” Daar zijn mensen ook meer geneigd om de hele levende én levenloze wereld als bezield te zien, schrijft Levy in zijn proefschrift, en dat maakt hen ook toleranter voor het idee van ‘bezielde robots’.

Roomba en Aibo die nu rondrollen en -lopen kunnen misschien gezellig maatjes worden. Maar zij, en ook toekomstige, beter uitgevoerde robots zijn niet in staat tot een échte liefdesrelatie, zegt Dylan Evans van het lovebot-gedachtenexperiment. Dat komt, zegt hij, doordat mensen onvoorspelbaar zijn. “De emotionele uitingen van mensen zijn niet volledig onder controle te houden.” Dat is een strategie die evolutionair voordeel heeft, denkt Evans. “Een dictator die af en toe ontsteekt in irrationele, blinde woede boezemt veel meer angst in dan iemand wiens woede in te calculeren is.” Evans denkt dat die onvoorspelbaarheid ook belangrijk is bij een complete liefdesrelatie.

Dat is schaker David Levy met hem eens. Maar iets mysterieus, iets imperfects kun je vrij makkelijk inbouwen in een liefdesbot, schrijft hij in zijn proefschrift. Daarvan is inmiddels een handelseditie verschenen. Levy beschrijft daarin vooral wat er volgens hem nodig is om als mens verliefd te worden op en bevredigende seks te hebben met een robot. De aanwezigen in Maastricht eisen veel meer: hoe kan een liefdesrelatie tussen een mens en een robot goed blijven?

Daarmee willen ze meer dan psychologen weten. Er bestaat althans niet één algemeen geaccepteerde theorie over liefde – er zijn wel veel losse onderzoeksresultaten. Dat komt ongetwijfeld doordat mensen in verschillende tijden en culturen andere dingen van liefdesrelaties verwachten. In veel culturen zijn vrouwen bijvoorbeeld lang ondergeschikt geweest, handelswaar bijna, maar in moderne westerse ogen moet een liefdesrelatie juist een relatie tussen twee gelijkwaardige individuen zijn.

Daarbij hoort onderzoek zoals dat van de Amerikaanse psycholoog John Gottman, die door de manier waarop mensen praten over onderwerpen waarover ze het oneens zijn, kan voorspellen of ze over een paar jaar nog bij elkaar zullen zijn. Mensen die erg kritisch, neerbuigend en defensief zijn, of die hun partner negeren, maken een kleine kans. Of onderzoek zoals dat van Sandra Murray, die aantoonde dat mensen verschillend reageren op afhankelijkheid en onafhankelijkheid van hun partner.

Ook in deze tijd verwachten mensen heel verschillende dingen van hun relaties. Voor sommigen, schreef de Amerikaanse psycholoog Robert Sternberg in zijn boek Love is a Story, is een romantische relatie als een tuin waaraan gewerkt moet worden. Anderen zien hun relatie bijvoorbeeld als een wedstrijd die uitgevochten moet worden, een reis die samen gemaakt moet worden, een romantisch sprookje, of een mogelijkheid om van iemand te leren.

inprogrammeren

Zulke scenario’s, op de eigenaar aangepast, zijn gewoon in te programmeren, zou David Levy zeggen. Maar zover zijn we nog niet. Het congres in Maastricht maakte drie dingen heel duidelijk.

Eén: er zijn altijd mensen geweest die graag iets persoonlijks, liefst iets menselijks zien in een apparaat, of die een menselijk apparaat willen maken. De mens probeert al eeuwen apparaten naar zijn evenbeeld te scheppen, vertelde de Canadese communicatiewetenschapper Glenda Shaw-Garlock. Vroeger noemden we die automatisch bewegende mechanische mens en dierfiguren automatons, tegenwoordig zijn het robots. De Amerikaanse theologe Anne Foerst vergeleek het maken van robots zelfs met bidden: een uiting van ontzag voor het scheppen van intelligent leven en hoe moeilijk dat is.

Twee: er zijn mensen die met passie geloven in het idee dat we ooit betekenisvolle relaties met robots zouden kunnen hebben, en mensen die dat idee al even gepassioneerd haten. “Als intieme relaties met robots het antwoord is”, vroeg Sally Wyatt van de universiteit van Maastricht zich bijvoorbeeld af, “what on earth was dan de vraag?”

En drie: het meeste dat wetenschappers tot nu toe denken en zeggen over mens-robotrelaties, is pure speculatie. We zijn nog lang niet zover dat die vraag concreet aan de orde is, zeggen diverse deelnemers aan het congres in de wandelgangen. De mens kan niet eens een robot maken met de complexiteit van een éénjarig kind. Het duurt nog tientallen jaren voor we zover zijn dat we een echt mensachtige robot kunnen maken, met persoonlijkheid, denken de meeste deelnemers. “Ik hoop dat ik oud genoeg word om het nog mee te maken”, zegt theologe Anne Foerst met glanzende ogen. Ze is er lang niet zeker van.

sciencefiction

Tot die tijd zegt de discussie over liefde en seks met robots meer over wat wij van liefde vinden, dan over wat robots kunnen – het is meer filosofische sciencefiction dan wetenschap. David Levy had het er in zijn eigen praatje op het congres, de tweede dag, al niet meer over. “Ik heb genoeg seks gehad deze week”, zei hij, “dus ik ga het vandaag maar eens over iets anders hebben.” Waarna hij een pleidooi hield om robots altijd goed te behandelen. Niet omdat ze misschien bewustzijn zouden hebben, want dat vindt hij een slecht gedefinieerd begrip, maar omdat wij mensen ons nu eenmaal goed behoren te gedragen. Het was een weinig overtuigend pleidooi. “Als we dat argument nu eens doortrekken”, vroeg de Amerikaanse robot-ethicus Roland Arkin, “vindt u dan ook dat game characters rechten moeten hebben?” Daar redde Levy zich niet meer uit.

    • Ellen de Bruin
    • Carola Houtekamer