Zie eens hoe vuil dat kralige kreeftenoog ons aankijkt

Hans den Hartog Jager: Haai op sterk water. Bezige Bij, 310 blz. € 24,50

Hans den Hartog Jager: Haai op sterk water. Bezige Bij, 310 blz. € 24,50

Eens in de vijf jaar toont Documenta in Kassel een grote hoeveelheid hedendaagse kunst. Als kunstcriticus Hans den Hartog Jager een bezoek brengt aan de editie van 2007 is het eerste kunstwerk dat hem werkelijk raakt geen modern werk, maar een Rembrandt uit de vaste opstelling van een van de locaties van de manifestatie. De honderden werken die Documenta zelf presenteerde, spraken op het eerste oog kennelijk minder aan: ‘het was zo véél allemaal, zo verwarrend en zo irritant half bekend’. In de vertrouwde, overzichtelijke wereld van oude kunst, lijkt Den Hartog Jager te willen zeggen, liggen de ijkpunten vast. Maar in het veel heterogenere, ongrijpbare universum van de moderne kunst kun je niet varen op het kompas van herkenbaarheid en traditie, en ‘weet [je] niet meer wie of wat je kunt vertrouwen’.

Dit probleem vormt een rode draad in de bundeling van recensies, interviews en beschouwingen, grotendeels bewerkingen van stukken die eerder verschenen in deze krant. Op een handvol teksten over oudere schilders na, gaan de artikelen over naoorlogse kunstenaars. Illustratief is het hoofdstuk over de artistieke merites van schilderijen die Willem de Kooning (1904-1997) maakte nadat zich bij hem de ziekte van Alzheimer had gemanifesteerd. Die schilderijen zijn, gezien de reputatie van de abstract-expressionistische kunstenaar, veel geld waard. Maar Den Hartog Jager maakt duidelijk dat zelfs De Kooning, die in zijn beste werk ogenschijnlijk rationaliteit probeerde uit te bannen, geen goede werken meer maakte toen de geest überhaupt niet meer vaardig over hem was. De kracht van dit boek is dat de auteur op deze manier telkens weer poogt te formuleren wat er wel of niet deugt aan moderne kunst.

Zo is Den Hartog Jager kritisch in stukken over fotografie. Hedendaagse fotografen noemt hij ‘luie schilders’ die hun artistieke pretenties niet waarmaken. En een gevierd portrettiste als de Amerikaanse Annie Leibovitz wordt ontmaskerd als een wat lafhartige reclamefotografe, die popidolen geflatteerd weergeeft om verzekerd te blijven van hun klandizie.

Fundamenteler zijn de analyses van de ondoorzichtige vervlechting van creativiteit en patronage, manipulatie en het nastreven van zakelijke belangen die veel spraakmakende moderne kunst kenmerkt. Inmiddels canonieke kunstenaars als Salvador Dalí en Andy Warhol krijgen de aandacht die ze wat dit betreft verdienen, maar het uitvoerigst komen de Young British Artists uit de jaren negentig aan de orde. Hun boegbeeld was Damien Hirst (1965), aan wiens aquarium met daarin een dode haai de titel van het boek is ontleend. Hirst leent zich bij uitstek voor Den Hartog Jagers bespiegelingen over de discrepantie tussen de artistieke waarde van de kunstwerken en de astronomische bedragen die ze – in een-tweetjes met de schatrijke Britse verzamelaar Charles Saatchi – opbrengen. De auteur blijkt meer waardering te hebben voor de manier waarop Hirst de kunstwereld bespeelt, dan voor diens werk.

Hans den Hartog Jager betoont zich een uitstekend waarnemer die zijn observaties in heldere taal kan overbrengen. In het Stilleven met kreeft en drinkhoorn van de 17de-eeuwse schilder Willem Kalf bijvoorbeeld treft hem het kreeftenoog – ‘klein en kralig, dat de toeschouwer vuil aankijkt’. Kalfs knipoog aan de oplettende beschouwer is dat de kreeft het enige schepsel is in deze nature morte dat, zoals dat nu eenmaal gaat met kreeften die op het punt staan de pan in te gaan, nog leeft. Maar van zijn beschrijverstalent maakt de auteur niet steeds gebruik en daar zit de makke van zijn boek.

Juist zijn aansporing, aan het eind van zijn stuk over de Documenta, om niet ‘blindelings [te] vertrouwen op bekende landen, namen en tradities’ en vooral zelf goed te kijken en te oordelen, maakt het overigens onbegrijpelijk dat dit boek zonder illustraties is uitgegeven.