Wet-Bibob schoont terecht op

De (horeca)ondernemer die een vergunning wil moet precies kunnen weten waarom deze is geweigerd. Dat kan nu niet. Verander daarom de wet, vindt Job Cohen.

De Wallen. Ogenschijnlijk leek er weinig aan de hand. Totdat zo’n tien jaar geleden in het kader van de parlementaire enquête over de opsporingsmethoden de criminologen Fijnaut en Bovenkerk c.s. constateerden dat de overheid daar niet meer de baas was. Criminele netwerken hadden economische machtsposities verworven, de overheid had het nakijken.

Amsterdam ontwikkelde vervolgens een aanpak om de georganiseerde criminaliteit terug te dringen. Mede hierdoor ontstond de Wet Bibob, die nu wordt toegepast en tot allerlei commentaar aanleiding geeft. Met deze wet kunnen vergunningen geweigerd of ingetrokken worden wanneer het gegronde vermoeden bestaat dat met zo’n vergunning criminelen worden gefaciliteerd. In Amsterdam wordt de wet gehanteerd in branches die kwetsbaar zijn voor invloeden van georganiseerde criminaliteit zoals de prostitutie, speelautomatenhallen en delen van de horeca. Politie en justitie doen hun werk vanuit het strafrecht, de bestuurlijke aanpak vormt een aanvulling hierop.

Een vergunning wordt nooit geweigerd of ingetrokken op basis van simpele vermoedens en vage informatie, maar op basis van gedegen eigen onderzoek, vaak in combinatie met een advies van het Landelijke Bureau Bibob dat bronnen gebruikt van justitie, politie en de fiscus. De optelsom van alle informatie leidt tot een eindoordeel en een besluit. We gaan nooit over één nacht ijs, omdat we als geen ander beseffen dat zorgvuldigheid noodzakelijk is nu een ondernemer getroffen wordt in zijn economisch belang. Naast een uitvoerige en zorgvuldige onderbouwing van de Bibob-adviezen staat er ook een uitgebreide procedure open voor de in zijn belang getroffen ondernemer: hij kan eerst een zienswijze indienen tegen een voorgenomen besluit; vervolgens staat er bezwaar en daarna desgewenst beroep open.

De afgelopen tijd klinkt veel kritiek op de toepassing van de wet. Ondernemers in de genoemde branches worden opgezadeld met extra administratieve lasten, want wij hebben extra informatie van hen nodig. Dat klopt, maar we proberen om die zoveel mogelijk te beperken.

Een ander kritiekpunt is dat degene die de vergunning aanvraagt zijn dossier maar beperkt mag inzien. Dat is inderdaad ongelukkig. Ik zou graag laten zien hoe grondig de onderbouwing van een besluit is. Zo kunnen spookverhalen over magere bewijslast en onzorgvuldigheid uit de wereld worden geholpen. Maar daarvoor is wel een wetswijziging nodig.

Dan is er de kritiek dat vergunningaanvragers ‘veroordeeld’ worden door Bibob terwijl zij soms strafrechtelijk vrijuit zijn gegaan. Die kritiek deel ik niet. Als er feiten zijn op grond waarvan er ernstige vermoedens bestaan dat een vergunning misbruikt wordt om criminaliteit te faciliteren, dan is er, strafrechtelijke veroordeling of niet, alle reden om een vergunning te weigeren. En de rechter toetst zo’n besluit.

De wet Bibob speelt een effectieve rol bij de aanpak van georganiseerde criminaliteit. Nog afgezien van een aantal Bibobprocedures rond bekende zaken of figuren in Amsterdam, gaat van de wet ook preventieve werking uit, waardoor tal van ondeugdelijke vergunningaanvragen al onmiddellijk door de mand zijn gevallen en zijn ingetrokken. Dat is ook een goed signaal voor alle bonafide ondernemers, die nu zien dat hun malafide soortgenoten geen vrij spel meer hebben.

Ten slotte. De effectiviteit van de wet zou aanzienlijk groter zijn, als er ook gebruik gemaakt zou kunnen worden van bronnen uit het buitenland. Bij een Europese conferentie over dit onderwerp enkele maanden geleden heb ik daartoe dan ook opgeroepen. Ik hoop dat dat er snel van komt.

Job Cohen is burgemeester van Amsterdam.

Lees het artikel van Kuitenbrouwer op nrc.nl/opinie