Wee de staat en de kerk en haar zalvende dienaren

José Saramago: Opgestaan van de grond. Uit het Portugees vertaald door Harrie Lemmens. Meulenhoff, 385 blz. €18,95 Met Opgestaan van de grond (Meulenhoff, €18,95) begon de komeetachtige carrière van de latere Nobelprijswinnaar José Saramago, aldus Ger Groot Zie pagina 12

José Saramago: Opgestaan van de grond. Uit het Portugees vertaald door Harrie Lemmens. Meulenhoff, 385 blz. €18,95

Achtenvijftig jaar oud was José Saramago toen in 1980 zijn roman Opgestaan van de grond verscheen. Het zou het begin worden van een komeetachtige schrijverscarrière, die hem in 1998 de Nobelprijs voor de Literatuur zou opleveren. Nu al zijn bekende romans in het Nederlands zijn vertaald, werd het tijd voor deze eersteling, die eigenlijk niet zo heten mag.

Een debuut in strikte zin was Opgestaan van de grond immers niet. Al kort na de Tweede Wereldoorlog had Saramago al twee romans geschreven, waarvan er één nooit is uitgegeven en de ander in de vergetelheid verdween. Pas na een leven als vertaler, journalist en ten slotte hoofdredacteur van een van Portugals belangrijkste kranten, kwam de schrijver opnieuw in hem boven. Hij zocht naar een nieuwe stijl om te vertellen wat hem als sociaal bewogen en strijdvaardig communist steeds bekommerd had.

Dat ging niet zomaar en de eerste roman die uit zijn pen kwam – Handboek van schilderkunst en kalligrafie uit 1976 – beschreef vooral die artistieke zoektocht zelf. De oplossing deed zich, zoals zo vaak, onverwacht en bijna spelenderwijs voor. Werkend aan een nieuwe roman, draaide hij op een dag een vel papier in de typemachine en begon in het wilde weg te schrijven: een dialoog zonder onderbreking of regelscheiding, een beschrijving van een gebeurtenis waarin feiten, commentaar en bijgedachten onontwarbaar door elkaar heen lopen. Hij was toen, zo heeft hij later verteld, iets meer dan twintig bladzijden gevorderd in Opgestaan van de grond. Zo werd zijn stijl geboren, en daarmee de auteur ‘Saramago’ zelf.

Bij het lezen van die roman wordt in eerste instantie geen duidelijke breuklijn zichtbaar. Maar wie, aan het einde gekomen, de eerste scènes opnieuw leest, ziet dat er intussen duidelijk iets is veranderd. Aanvankelijk is Saramago nog de objectieve, maar weinig nadrukkelijk aanwezige verteller. Aan het eind is hij het personage geworden dat hij in de rest van zijn oeuvre gebleven is. Hij peinst met de lezer mee, becommentarieert het vertelde, bewondert en weeklaagt zonder gêne.

En vooral, hij heeft de nonchalante vanzelfsprekendheid toegelaten die ons ook in het dagelijks leven de dingen doet accepteren zoals ze zijn: met een zucht, een dooddoener, een spreekwoord of een schouderophalen. Het lijkt berusting, maar dan wel één waarin de kiem van protest schuilt die Saramago af en toe striemend naar buiten laat komen – en wee dan de machthebbers, de rijken, de staat en zijn politie, de kerk en haar zalvende dienaren.

Meer nog dan in zijn latere boeken is Opgestaan van de grond getekend door de communistische geest die Saramago nooit verloochend heeft. Het verhaal zelf had moeiteloos een plaats kunnen vinden in het sociaal-realisme dat daarin canonieke status bezat. Over landarbeiders in Alentejo gaat het, en over vier generaties in één straatarme familie in het bijzonder. Van zonsop- tot zonsondergang zwoegen zij, schoffelend, hooiend, maaiend, kurksnijdend, hongerend en langzaamaan steeds opstandiger. Het boek begint rond de voorlaatste eeuwwisseling en eindigt kort na de Anjerrevolutie (1974), wanneer pachters en landarbeiders de grond gaan bezetten die ze eeuwenlang als horigen hebben moeten bewerken. Ze staan op, zo zegt de titel al strijdvaardig; er is eindelijk iets veranderd in het zogeheten latifundium waarin tot in de jaren zestig de feodaliteit nog regel was.

Mooi beschrijft Saramago het achterlijke isolement van dit nauwelijks menswaardige bestaan, waarin hoogstens zeer vanuit de verte iets doordringt uit de grote wereld: een wereldoorlog, een couppoging, een soldatenopstand. Maar zo meedogend als hij sommige telgen uit de familie Mau-Tempo (‘slecht weer’) die in dit boek centraal staat, weet te beschrijven, zo grof gaat het eraan toe wanneer de stands- en klassetegenstellingen aan bod komen. Zwart staat dan tegenover wit. Geen politieman deugt, geen pastoor heeft medelijden, geen bezitter is verlicht.

Hier schijnt, naar onwrikbaar recept van het historisch materialisme, het licht van de vooruitgang alleen onder het (plattelands)proletariaat, dat zich tot in de politiecel toe kenmerkt door een bijna engelachtige solidariteit. ‘Iemand kwam naar hem toe met een pakje superieure shag, vloeitjes en een doosje lucifers. Als je verder iets nodig hebt, moet je het maar zeggen, kameraad, hier delen we alles met elkaar.’

Diepzinnige sociale of politieke inzichten zijn in Opgestaan van de grond dan ook niet te vinden. Een gevoelig beschrijver toont Saramago zich pas wanneer in de meest intieme verhoudingen het karakter van zijn hoofdfiguren, die op een vanzelfsprekende manier deugen zonder heiligen te worden. Dan wordt zijn blik scherp, omdat ze de politieke verkramping laat voor wat ze is.

Dan wérkt ook Saramago’s eigen variant van de écriture automatique – ooit door de surrealisten aangewend om het onbewuste tot spreken te laten komen – het beste. In zijn observaties van concrete mensen toont Saramago de wijsheid die hem later de Nobelprijs zou opleveren en die in zijn stijl bijna vanzelf lijkt op te wellen uit zijn ziel.